Van onze advocaat verdeling erfenis. De Rechtbank Den Haag heeft op 4 februari 2019 uitspraak gedaan over de rechtsmacht en de bevoegdheid in het internationaal erfrecht betreffende de vereffening van een in Duitsland opengevallen nalatenschap.

Rechtsmacht

Voor de beoordeling van de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt zijn de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepalend.

Voldoende is komen vast te staan dat de verzoekers ten tijde van de indiening van het verzoek woonplaats hadden in Nederland, zodat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft op grond van artikel 3 aanhef en onder a Rv

Toepasselijk recht

Nu de nalatenschap is opengevallen tussen 1996 en 2015 is ingevolge artikel 10:152 BW voor het op de vereffening toepasselijke recht allereerst bepalend de regel van artikel 10:149 lid 1 BW.

Artikel 10:149 lid 1 BW luidt: “De vereffening van de nalatenschap wordt door het Nederlandse recht beheerst indien de erflater zijn laatste gewone verblijfplaats in Nederland had. In het bijzonder zijn van toepassing de Nederlandse voorschriften inzake de gehoudenheid van de door het volgens het Haags Erfrechtverdrag 1989 toepasselijke recht aangewezen erfgenamen voor de schulden van de erflater en de voorwaarden waaronder zij hun gehoudenheid kunnen uitsluiten of beperken”.

De advocaat van de verzoekers beroepen zich op dit artikellid en stellen dat, nu erflater ten tijde van zijn overlijden nog geen vijf jaar in Duitsland woonachtig was en daarvoor steeds in Nederland woonachtig was, het Nederlandse recht van toepassing is op het verzoek.

Internationaal privaatrecht. Internationaal erfrecht. Vereffening van een in Duitsland opengevallen nalatenschap. Rechtsmacht. Toepasselijk recht.

De rechter oordeelt als volgt.

De wet geeft geen omschrijving van wat onder ‘gewone verblijfplaats’ moet worden verstaan.

In het algemeen wordt onder gewone verblijfplaats verstaan: het land waar iemand, alle feitelijke omstandigheden in aanmerking genomen, het centrum van zijn maatschappelijk leven heeft.

De termijn van vijf jaar waarop de advocaat van de verzoekers zich beroepen is niet van toepassing.

Deze termijn geldt wel, op grond van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op erfopvolging, gesloten te Den Haag op 1 augustus 1989, Trb. 94, 49 en 168 (hierna: het Haags Erfrechtverdrag 1989, bij de vaststelling van het recht dat (bij gebreke van een rechtskeuze) van toepassing is op de erfopvolging, maar deze termijn geldt niet bij de vaststelling van het recht dat ingevolge boek 10 BW van toepassing is op de vereffening van de nalatenschap.

Daarbij is er ook geen vaste regel omtrent de duur van het verblijf. Wel worden bij de vaststelling van iemands gewone verblijfplaats de duurzaamheid van het verblijf en de bedoelingen van betrokkene in aanmerking genomen.

Een verblijf van een paar maanden kan aan de ene kant, gelet op de bedoeling van het verblijf, tijdelijk zijn en dus niet leiden tot de wijziging van de gewone verblijfplaats.

Aan de andere kant kan iemand die zich in een ander land vestigt met de bedoeling daar vele jaren te blijven wonen, na al een paar maanden in dat land zijn gewone verblijfplaats hebben.

De rechter zal dus bezien waar erflater zijn centrum van zijn maatschappelijk leven had en daarbij de duurzaamheid van het verblijf en de bedoelingen van erflater (voor zover bekend of af te leiden uit de wel bekende feiten) betrekken.

Uit de Nederlandse basisregistratie personen blijkt dat erflater, na ten minste dertig jaar in Nederland te hebben gewoond, in 2010 is verhuisd naar Duitsland.

Hij woonde ongeveer 50 kilometer van de Nederlandse grens. Verder blijkt dat hij zijn onroerend goed in Nederland rond de tijd van zijn vertrek naar Duitsland heeft verkocht en dat hij enkele maanden eerder al onroerend goed in Duitsland had gekocht.

Dit wijst er naar het oordeel van de rechter op dat erflater de bedoeling had zich blijvend in Duitsland te vestigen.

De erflater deed over 2012 belastingaangifte in Nederland. Hieruit volgt dat het inkomen van erflater bestond uit Nederlandse AOW-uitkering en diverse Nederlandse pensioen, dan wel verzekeringsuitkeringen. Daaruit blijkt wel een band van de erflater met Nederland, maar het zijn meer de uitgaven dan de inkomsten die iets zeggen over het centrum van iemands maatschappelijk leven.

Het is de rechter niet bekend of erflater, naast zijn uitgaven voor wonen, nog uitgaven deed in Duitsland of dat hij in Nederland boodschappen deed, verzekeringen had en dergelijke.

In een brief van het College voor Zorgverzekeringen staat dat erflater in 2011 in zijn woonland (Duitsland) recht had op medische zorg voor rekening van Nederland en dat hij daarvoor een bijdrage Zorgverzekeringswet verschuldigd was, maar hieruit blijkt echter niet waar erflater de medische zorg heeft genoten.

Wat contact van erflater met familie in Nederland betreft geldt het volgende. Zijn ouders waren reeds overleden. Verzoekers verklaren dat erflater geen contact had met zijn dochters, die kennelijk in Nederland wonen. Zijn dochters hebben de nalatenschap verworpen. Zijn vijf broers en zussen wonen in Nederland. Het is de rechter niet bekend of erflater met hen nog veel contact had. Twee van hen hebben eveneens de nalatenschap verworpen.

Al met al komt de rechter tot de conclusie dat de laatste gewone verblijfplaats in de zin van artikel 10:149 lid 1 BW van erflater in Duitsland was.

Hiervoor is doorslaggevend dat erflater in Duitsland een huis in eigendom had, waar hij woonde en ook wilde blijven wonen, en dat er geen aanwijzingen zijn dat andere onderdelen van zijn maatschappelijk bestaan zich elders afspeelden.

Hieruit volgt dat de situatie van de eerste volzin van artikel 10:149 lid 1 BW zich niet voordoet.

De rechter kan dus niet op die basis vaststellen dat Nederlands recht van toepassing is.

Artikel 10:149 BW geeft geen regel voor het geval dat de erflater zijn laatste gewone verblijfplaats niet in Nederland had.

Volgens ongeschreven regels van internationaal privaatrecht moet in dat geval voor de vaststelling van het toepasselijke recht aansluiting worden gezocht bij de regels van internationaal erfrecht van het land van erflaters laatste gewone verblijfplaats (zie daarvoor de memorie van toelichting bij Boek 10 BW, Kamerstukken II 2009-2010, 32137, nr. 3, p. 79).

De rechter moet dus kijken naar de regels van Duits internationaal privaatrecht voor de afwikkeling (vereffening) van nalatenschappen.

Het Duitse internationaal privaatrecht kent echter, anders dan het Nederlandse internationaal privaatrecht, geen onderscheid in het recht dat toepasselijk is op de erfopvolging en het recht dat toepasselijk is op de afwikkeling van de nalatenschap.

Het recht dat van toepassing is op de erfopvolging is ook van toepassing op de afwikkeling.

Duitsland is geen partij bij het Haags Erfrechtverdrag 1989. Vóór de inwerkingtreding van de Europese Erfrechtverordening was het Duitse internationaal erfrecht neergelegd in de toepasselijke bepalingen van het Einführungsgesetz zum Bürgerlichen Gesetzbuche (EGBGB).

]Hieruit volgt dat de nationaliteit van de erflater op het moment van overlijden bepalend is, tenzij een rechtskeuze is gedaan voor Duits recht voor in Duitsland gelegen onroerend goed (artikel 25 oud EBGB) of een in het buitenland gedane rechtskeuze moet worden erkend (artikel 4 EBGB).

Erflater heeft in zijn testament geen rechtskeuze opgenomen en hij had ten tijde van zijn overlijden de Nederlandse nationaliteit.

Dat betekent dat volgens de regels van Duits internationaal privaatrecht Nederlands recht van toepassing is op de erfopvolging en dus ook op de afwikkeling van de nalatenschap.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over de taken en bevoegdheden van een vereffenaar of een executeur, over de legitieme of over het kindsdeel, over het internationale erfrecht, over de rechtsmacht van de recht en het toepasselijke recht in een grensoverschrijdend erfenis, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis  op 020-3980150.