De A-G bij het Parket van de Hoge Raad heeft onlangs uitleg gegeven over de werking van de voorwaarden bij een tweetrapsmaking.
De A-G bespreekt de tweetrapsmaking in een testament.
Erfrecht. Tweetrapsmaking. Uitleg van en toelichting op een tweetrapsmaking. Werking van de voorwaarden in een tweetrapsmaking. Erfgenaamschap. Bezwaarde. Verwachters.
De A-G overweegt als volgt.
Art. 4:1 lid 2 BW bepaalt dat van de erfopvolging bij versterf kan worden afgeweken bij een uiterste wilsbeschikking die een erfstelling of een onterving inhoudt.
Als erfstelling wordt in art. 4:115 BW aangemerkt een uiterste wilsbeschikking krachtens welke de erflater aan één of meer daarbij aangewezen personen zijn gehele nalatenschap of een aandeel daarin nalaat.
Hoe de uiterste wilsbeschikking zoals neergelegd in het testament (wettelijke term: ‘uiterste wil’) moet worden begrepen, is een vraag van uitleg.
Bij die uitleg dient gelet te worden op de verhoudingen die het testament kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt, terwijl daden of verklaringen van de erflater buiten het testament slechts dan voor uitlegging van een beschikking mogen worden gebruikt indien deze zonder die daden of verklaringen geen duidelijke zin heeft (art. 4:46 leden 1 en 2 BW).
Voor de uitleg is mijns inziens als gezichtspunt van belang dat het in het algemeen minder voor de hand ligt dat de erflater heeft willen beschikken op een wijze die in strijd is met het erfrecht; het heeft althans doorgaans weinig zin om tot een uitleg te komen die meebrengt dat de uiterste wilsbeschikking (ten dele) rechtens niet kan worden geëffectueerd.
Hier draait het om de uitleg en de rechtsgevolgen van een tweetrapsmaking.
Ik zet daarover een en ander uiteen.
Makingen kunnen met voorwaarden gepaard gaan, zo is geregeld in art. 4:137 t/m 4:141 BW.
Een uiterste wilsbeschikking wordt voorwaardelijk genoemd wanneer haar werking afhangt van een toekomstige en onzekere gebeurtenis; de werking van de voorwaarde kan een opschortende of een ontbindende zijn.
In zijn proefschrift over de voorwaarde in het vermogensrecht beklemtoont Stolz “dat voor het geldend recht onzekerheid essentieel is om van een voorwaarde te kunnen spreken.
Of iets nauwkeuriger: ‘onzekerheid’ ten aanzien van de vraag of de gebeurtenis die de inhoud van de voorwaarde vormt al dan niet zal intreden.”
Hij spreekt van het ‘dwingende vereiste van onzekerheid’.
Of de gebeurtenis die de voorwaarde vormt toekomstig of onzeker is, moet naar het ogenblik van het overlijden van de erflater beoordeeld worden.
Een uiterste wilsbeschikking werkt immers eerst na het overlijden (lees: vanaf het tijdstip van overlijden) van een erflater (art. 4:42 lid 1 BW).
In het geval dat de gebeurtenis op het ogenblik van het maken van de uiterste wil nog een voor de erflater onzekere of nog een toekomstige was, maar dit niet meer is op het ogenblik van zijn overlijden, heeft men niet met een voorwaardelijke beschikking te doen, aldus Perrick.
In dezelfde zin lees ik Verstappen.
Bedacht zij dat het woord ‘voorwaarde’ in het vermogensrecht (en daarbuiten) meerzinnig wordt gebruikt.
Op deze plaats is met name van belang dat iets een voorwaarde kan zijn in de betekenis van een vereiste om ergens voor in aanmerking te komen of (min of meer hetzelfde) om een bepaald recht te hebben.
Een evident voorbeeld hiervan uit het erfrecht is de bestaanseis van art. 4:56 lid 1 BW.
Een voorwaarde om te erven is dat je bestaat op het moment dat de erflater overlijdt.
Besta je niet, dan ben je geen erfgenaam. In deze categorie van het begrip ‘voorwaarde’ valt ook de voorwaarde die in een uiterste wilsbeschikking wordt gesteld aan iemand om erfgenaam te (kunnen) zijn.
Een aan de rechtspraak ontleend voorbeeld is het geval dat een erflater in zijn testament zijn toenmalige echtgenoot tot zijn enige erfgenaam benoemde onder de voorwaarde dat hun huwelijk nog bestaat op zijn sterfdag.
De erflater en zijn toenmalige echtgenoot zijn nadien gescheiden, zodat de ex-echtgenoot geen erfgenaam is.
In beide gevallen is van een voorwaardelijk erfgenaamschap geen sprake en dus evenmin van een voorwaardelijke verkrijging als erfgenaam.
Een ‘voorwaarde om erfgenaam te zijn’ is, kortom, iets anders dan ‘voorwaardelijk erfgenaam’ zijn.
Beide betekenissen kunnen voorkomen in een uiterste wilsbeschikking.
Ik herneem de problematiek van de tweetrapsmaking die in het voorliggende geval aan de orde is.
Bij de tweetrapsmaking benoemt de erflater iemand onder ontbindende voorwaarde tot erfgenaam.
Deze erfgenaam wordt ‘bezwaarde’ genoemd.
Daarbij aansluitend wijst de uiterste wilsbeschikking een erfgenaam onder opschortende voorwaarde aan.
Deze erfgenaam wordt ‘verwachter’ genoemd.
Een veel voorkomende tweetrapsvoorwaarde is het overlijden van de bezwaarde.
Stel erflater A heeft in zijn uiterste wilsbeschikking X benoemd tot erfgenaam onder ontbindende voorwaarde en Y tot erfgenaam onder (aansluitende) opschortende voorwaarde.
X is dus de bezwaarde en Y de verwachter.
De gestelde voorwaarde betreft op het moment van overlijden van de erflater een onzekere toekomstige gebeurtenis.
Zowel X als Y zijn vanaf het moment van overlijden van A voorwaardelijke erfgenamen en uit dien hoofde voorwaardelijk gerechtigd tot (de goederen van) de nalatenschap.
Ze erven gelijktijdig, zij het de één (X) onder ontbindende en de ander (Y) onder opschortende voorwaarde.
In de literatuur wordt niettemin op enkele plaatsen (met variaties op de woordkeuze) opgemerkt dat bij een tweetrapsmaking de bezwaarde en de verwachter ‘achtereenvolgens’ erven, dat de nalatenschap twee keer openvalt.
In vergelijkbare zin liet het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zich uit in een zaak waarin de erflater zijn partner tot bezwaarde had benoemd en twee van zijn kinderen tot verwachters.
Het hof drukte het zo uit dat de kinderen erfgenaam zijn geworden door het in vervulling gaan van de voorwaarde.
Een en ander moet echter, zoals Subelack terecht opmerkt, vermogensrechtelijk niet te letterlijk worden opgevat.
De nalatenschap valt maar één keer open en zowel de bezwaarde als de verwachter zijn direct erfgenaam en ook direct voorwaardelijk gerechtigd tot (de goederen van) de nalatenschap.
Ik haast me op te merken dat dit besef in de literatuur volop aanwezig is en dat de aanduidingen vaak meer een ‘als het ware’ zijn, doelend op de praktische effecten.
Uit het voorgaande volgt dat voor een effectieve tweetrapsmaking nodig is dat ‘de voorwaarde’ op het moment van overlijden toekomstig en onzeker is.
Nodig is dat de bezwaarde wel erfgenaam wordt, wellicht maar voor heel even.
Dat ‘heel even’ moet wel langer zijn dan ‘de juridische seconde van het ondeelbare tijdsmoment’, omdat anders rechtens op geen enkel moment toekomstig of onzeker is of de voorwaarde in vervulling gaat.
Een ‘kans van 100%’ voldoet niet aan de voorwaarde om een onzekere voorwaarde te zijn.
De vraag rijst natuurlijk wat de betekenis is van een in een uiterste wilsbeschikking gestelde ‘voorwaarde’ als deze ‘voorwaarde’ bij het overlijden van de erflater is ‘vervuld’.
Perrick schrijft dat in die situatie sprake is van óf een onvoorwaardelijk geldige uiterste wilsbeschikking óf van een wilsbeschikking die geen effect heeft.
Onvoorwaardelijk geldig acht hij de wilsbeschikking indien op het ogenblik van overlijden de gestelde opschortende voorwaarde vervuld is.
Wilt u de gehele conclusie bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.