De Rechtbank Gelderland heeft onlangs uitspraak gedaan over een vordering tot de ontruiming van een woning na het overlijden van de erflater.

Eiseres legt aan de vordering – kort weergegeven – het volgende ten grondslag.

Zij heeft een spoedeisend belang bij haar vordering tot ontruiming omdat gedaagde zonder recht of titel in de woning verblijft.

Er is geen sprake van huur en gedaagde heeft ook geen alternatieve tegenprestaties verleend voor het wonen in de woning.

Daarmee schendt hij na het overlijden van erflater doorlopend het eigendomsrecht van eiseres en frustreert hij haar beschikkingsmacht.

Eiseres heeft het recht om de woning als haar eigendom te verkopen.

Zonder verkoop kan zij de schuldeisers en rechthebbenden van de nalatenschap niet tijdig en niet volledig voldoen.

Ook moet de aangifte erfbelasting in 2026 worden betaald.

Erfrecht. Kort geding. Vordering tot de ontruiming van een woning na het overlijden van de erflater. Is er sprake van een huurovereenkomst? Gebruiksrecht om niet? Bewijs.

De rechter oordeelt als volgt.

Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening.

Voor toewijzing is nodig dat eiseres daarbij een spoedeisend belang heeft.

De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling.

Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.

Eiseres heeft een voldoende spoedeisend belang bij haar vordering tot ontruiming van de woning door gedaagde.

In haar stellingen dat gedaagde inbreuk maakt op haar eigendomsrecht en zij onvoldoende liquide middelen heeft om de erfenis af te wikkelen is een spoedeisend belang gelegen.

Eiseres is dus ontvankelijk in haar vordering.

Niet in geschil is dat eiseres enig erfgename is van erflater en zij op dit moment de enige eigenaar is van de woning.

In beginsel hoeft eiseres als eigenaar niet te dulden dat gedaagde zonder haar toestemming gebruik maakt van de woning.

Het staat vast dat gedaagde dat op dit moment wel doet.

Anders dan gedaagde ter zitting heeft gesteld is het aan hem om aannemelijk te maken dat hij een gebruiksrecht heeft voor de woning.

Gedaagde is daarin niet geslaagd.

Daartoe overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Gedaagde stelt dat hij volgens afspraak met erflater huur is gaan betalen toen hij zelfstandige werd en dat die betaalde vergoeding rechtstreeks in verband staat met het ter beschikking stellen van de woning en de bijbehorende schuur.

Echter ondanks dat gedaagde naar eigen zeggen al 45 jaar contant huur zou hebben betaald heeft hij geen enkel bewijs van die betalingen overlegd, zoals kwitanties.

Dat bij de vaststelling van moeder erfdeel is uitgegaan van een woning in verhuurde staat, is gesteld noch gebleken.

Aan de door gedaagde overgelegde verklaringen van vrienden, kennissen en zijn dochter kan niet de conclusie worden verbonden dat er sprake was van huur.

In deze verklaringen wordt in het midden gelaten wanneer een betaling is verricht en waaruit deze personen hebben afgeleid dat het huur betrof, nog geheel daargelaten de vraag wat gedaagde precies huurde. In een aantal verklaringen wordt ook geen concreet bedrag genoemd.

Bovendien ziet de verklaring van zijn dochter op een periode dat zij nog maar een kind was.

Daartegenover heeft eiseres deze verklaringen gemotiveerd betwist en verklaringen overgelegd van derden, zoals aangetrouwde familie, de huishoudster en buren en vrienden van erflater die regelmatig bij hem kwamen en die ertoe strekken dat er van huur geen sprake was.

Ook blijkt uit die verklaringen dat de relatie tussen erflater en gedaagde verstoord was en zij elkaar nauwelijks spraken.

Verder heeft eiseres onweersproken gesteld dat [gedaagde] heel weinig bezoek ontving.

Dat de door gedaagde genoemde personen dan steeds net aanwezig waren bij een contante betaling van de huur is niet aannemelijk.

De verklaring van de boekhouder dat gedaagde de meeste facturen contant betaalde, zegt niets over maandelijkse huurbetalingen aan erflater.

Gedaagde heeft ook geen aannemelijke verklaring gegeven waarom hij steeds contante betalingen zou hebben gedaan.

Facturen voor zijn onderneming liet hij, naar zeggen, steeds betalen door zijn boekhouder.

Mocht dit het geval zijn geweest, dan valt niet in te zien waarom de boekhouder niet ook de huur maandelijks overboekte naar de bankrekening van erflater.

De stelling van gedaagde dat hij de laatste drie maanden voor het overlijden van erflater geen huur heeft betaald omdat erflater niet meer in staat was de contante huur aan te nemen is ongeloofwaardig.

Volgens eigen zeggen betaalde hij de huur door het bedrag van € 300,- op de tafel bij erflater neer te leggen.

Waarom dat in de laatste maanden niet meer mogelijk was, is niet toegelicht.

Er waren kennelijk weinig of geen contacten tussen erflater en gedaagde, zoals eiseres ook stelt.

Juist in periode dat het niet goed zou zijn gegaan met erflater, zou het voor de hand gelegen hebben als gedaagde wat vaker dan anders bij erflater langs zou zijn gedaan, waren de contacten normaal en goed zijn geweest.

Bovendien beweert gedaagde dat hij kort voor het overlijden van erflater wel is langs gelopen om door erflater een jachtakte te laten ondertekenen.

Waarom dat dringend nodig zou zijn geweest, is door gedaagde niet toegelicht.

Mocht dat hebben samengehangen met de perceptie van gedaagde dat het niet goed ging met erflater, dan zou het toch veel meer voor de hand gelegen hebben om schriftelijk vast te leggen dat er sprake was van een huurovereenkomst tussen gedaagde en erflater.

Overigens is de stelling van gedaagde dat erflater de jachtakte zou hebben getekend zeer twijfelachtig, gelet op het feit dat de handtekeningen die van erflater zouden zijn, weliswaar enigszins op elkaar lijken, maar ook zoveel van elkaar verschillen dat zelfs voor een leek de verklaring van gedaagde niet overtuigt dat erflater deze handtekeningen ook daadwerkelijk heeft geplaatst.

Dat heeft uiteraard zijn negatieve weerslag op de betrouwbaarheid van het verdere verweer van gedaagde, zoals zijn bewering dat erflater de wens had dat hij in de woning zou blijven wonen, maar hij dit niet richting eiseres durfde uit te spreken omdat hij bang voor haar was, nota bene eiseres aan wie erflater alles heeft nagelaten en die tot op het laatst zijn financiën heeft geregeld.

Tot slot heeft eiseres een videoverklaring van erflater overgelegd waarin erflater zegt dat gedaagde zes weken na zijn overlijden de woning moet verlaten.

De slotsom is dat van huur niet is gebleken en dat gedaagde kennelijk niet meer dan een gebruiksrecht om niet had van delen van de woning.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.