Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag de erfgenaam als vereffenaar tekortgeschoten was in de verplichtingen als vereffenaar.

Appellant heeft ter beoordeling voorgelegd of geïntimeerde in haar verplichtingen als vereffenaar verwijtbaar tekortgeschoten is.

Erfrecht. Wettelijke vereffening. Is de erfgenaam als vereffenaar tekortgeschoten in verplichtingen als vereffenaar? Ernstig verwijt. Gebruik van ervenrekening. Toetsing.

De rechter oordeelt als volgt.

Appellant heeft in hoger beroep opnieuw ter beoordeling voorgelegd of geïntimeerde in haar verplichtingen als vereffenaar verwijtbaar tekortgeschoten is.

Op die situatie ziet artikel 4:184 lid 2 onder d) BW.

Het hof merkt op dat appellant in eerste aanleg ook sub b) en c) van dit artikel aan zijn vorderingen ten grondslag heeft gelegd maar dat hij geen (voldoende duidelijke) grief heeft gericht tegen de afwijzing van zijn vorderingen door de rechtbank voor zover deze waren gegrond op die artikelleden.

Ten overvloede overweegt het hof dat zelfs als in de grieven wel een beroep op deze artikelleden moet worden gelezen, dit beroep om redenen als hierna genoemd evenmin slaagt.

In artikel 4:184 lid 2 onder d) BW staat dat een erfgenaam niet is verplicht een schuld van de nalatenschap ten laste van zijn eigen vermogen te voldoen, tenzij hij vereffenaar is, in de vervulling van zijn verplichtingen als zodanig in ernstige mate tekortschiet, en hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt.

Geïntimeerde was vanaf het moment waarop zij de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard vereffenaar.

Dit betekent dat voor gedragingen vanaf de datum van beneficiaire aanvaarding moet worden beoordeeld of zij -kort gezegd- ernstig verwijtbaar tekortgeschoten is.

Volgens appellant is geïntimeerde tekortgeschoten in haar verplichtingen als vereffenaar doordat zij de ervenrekening is blijven gebruiken alsof het haar eigen rekening was.

Daarmee heeft haar verplichting om uit te zoeken welke schulden wel en niet betaald konden worden naast zich neergelegd.

Verder is zij tekortgeschoten in haar verplichting tot het opstellen van een boedelbeschrijving en heeft zij verzuimd onderzoek te doen naar ander vermogen.

Ook vindt appellant dat geïntimeerde geen opheffing van de vereffening had mogen vragen, omdat zij het daarmee onmogelijk heeft gemaakt dat nog verder onderzoek werd gedaan naar mogelijk paulianeuze handelingen in het verleden.

Appellant vermoedt namelijk dat erflaatster bij verkoop van haar woning in België de overwaarde aan haar dochter heeft geschonken dan wel geleend.

Geïntimeerde is het hier niet mee eens.

Zij is van mening dat zij niet -laat staan ernstig- tekortgeschoten is in haar verplichtingen als vereffenaar.

Het hof volgt appellant niet in het beeld dat hij van geïntimeerde schetst.

Zoals het hof hiervoor heeft overwogen, heeft geïntimeerde een deel van de begrafeniskosten van € 1.096,45 en andere kosten van de nalatenschap van € 781,71 uit eigen middelen voldaan, omdat het saldo op de rekeningen van erflaatster niet voldoende was.

Dat zij de ervenrekening lukraak is blijven gebruiken om eigen kosten te voldoen, valt hiermee niet te rijmen.

Ook valt niet in te zien dat er voor geïntimeerde aanleiding had moeten zijn geweest om nader onderzoek te doen naar andere vermogensbestanddelen.

Zij heeft toegelicht dat de vermogensbestanddelen die er waren meegenomen zijn -zoals het saldo van € 71,59 op een bankrekening in België- en het hof heeft geen aanknopingspunten waaruit kan worden afgeleid dat dit anders is.

Geïntimeerde heeft ook een boedelbeschrijving opgesteld.

Dit erkent appellant ook, aangezien hij zelf in zijn memorie van grieven schrijft dat bij het verzoekschrift tot opheffing van de vereffening een voorlopige boedelbeschrijving zat.

Die boedelbeschrijving vermeldde ook de schuld aan appellant en de kantonrechter heeft deze boedelbeschrijving kennelijk voldoende deugdelijk en inzichtelijk geoordeeld.

Dat geïntimeerde op dit punt in haar verplichtingen als vereffenaar tekortgeschoten zou zijn, heeft appellant onvoldoende toegelicht.

De vraagtekens die appellant plaatst bij de gang van zaken rondom de opheffing van de vereffening door de kantonrechter zijn onvoldoende concreet om hieraan enige conclusie te verbinden.

Bovendien geldt dat, als appellant van mening was dat de belangen van de schuldeisers destijds onvoldoende gewaarborgd werden, het hem vrij had gestaan om op grond van artikel 4:203 BW een andere vereffenaar te verzoeken.

Dat heeft hij niet gedaan.

De grief slaagt niet.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.