Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag er al een verdeling van de nalatenschap tot stand was gekomen.
Deze zaak gaat in de kern over de afwikkeling van een deel van de nalatenschap van erflater, die in mei 2017 is overleden.
Partijen zijn daarover sinds medio 2017 met elkaar in overleg.
Een van de vragen die voorligt is of zij in oktober 2017 al tot een onherroepelijke verdeling van een aantal onroerende zaken zijn gekomen, zoals appellant stelt en de geïntimeerden betwisten.
Appellant wenst primair verdeling overeenkomstig de afspraken zoals die volgens hem zijn gemaakt.
Geïntimeerden staan op hoofdlijnen een andere (wijze van) verdeling voor.
Het hof komt net als de rechtbank tot het oordeel dat er in oktober 2017 geen definitieve en alomvattende afspraken over de verdeling van de onroerende zaken zijn gemaakt.
Voorts concludeert het hof dat de door de rechtbank vastgestelde wijze van verdeling in stand kan blijven.
Deze oordelen worden hierna verder toegelicht.
Erfrecht. Verdeling van een nalatenschap. Is er een verdeling tot stand gekomen? Is er een definitieve en alomvattende afspraak gemaakt over de verdeling van de nalatenschap?
De rechter oordeelt als volgt.
Geen enkele deelgenoot kan worden genoodzaakt in een onverdeelde gemeenschap te blijven (artikel 3:178 lid 1 BW).
De verlangde verdeling van een gemeenschappelijk goed kan worden bewerkstelligd met medewerking van de andere deelgenoten (artikel 3:182 BW) of via de rechter (artikel 3:185 BW).
Ingevolge artikel 3:182 BW geschiedt een verdeling door de deelgenoten bij rechtshandeling waartoe alle deelgenoten meewerken en krachtens welke een of meer van hen een of meer goederen der gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten verkrijgen.
In de enkele omstandigheid dat partijen de tot de nalatenschap behorende goederen met wederzijdse instemming feitelijk zouden hebben verdeeld (zou dit het geval zijn geweest) ligt nog niet besloten dat zij een verdeling als bedoeld in artikel 3:182 BW zijn overeengekomen.
Deze feitelijke verdeling met wederzijdse instemming impliceert immers niet zonder meer dat partijen het ook eens zijn geworden over de financiële consequenties die de verdeling van de goederen voor ieder van hen heeft (het ontstaan van vorderingen uit over- en onderbedeling).
Het vorenstaande neemt niet weg dat, indien aanvankelijk uitsluitend een feitelijke verdeling met wederzijdse instemming heeft plaatsgevonden, en protest in verband met de financiële consequenties daarvan uitblijft, partijen onder omstandigheden op de voet van artikel 3:35 BW over en weer erop mogen vertrouwen dat de wederpartij ook rechtens met de verdeling instemt (vgl. HR 8 februari 2013, HR:2013:BY4279).
Met toepassing van die maatstaf stelt het hof vast dat geen verdeling als bedoeld in artikel 3:182 BW tot stand is gekomen.
Partijen zijn samen met executeur (persoon A) in overleg gegaan over de verdeling van de nalatenschap.
Daarbij is – onder andere tijdens het overleg op 26 oktober 2017 – kenbaar gemaakt wie van de deelgenoten welk bestanddeel zou willen verkrijgen.
Over nog niet alle onroerende zaken bestond overeenstemming en duidelijkheid over aan wie van de deelgenoten het goed na verdeling zou toekomen: zo zou er nog geloot moeten worden over de woning in A en de woning in B.
Al daaruit volgt dat de onroerende zaken nog niet allemaal (feitelijk) waren verdeeld.
Uit het door persoon A opgestelde overzicht van de gebeurtenissen van na de bijeenkomst van 26 oktober 2017 blijkt ook dat tussen partijen discussie bleef bestaan en dat zij het niet op alle onderdelen eens konden worden.
De correspondentie met de executeur die persoon A heeft opgevolgd bevestigt dit beeld.
Het hof betrekt bij dit oordeel dat ook de eigen opstelling van appellant erop duidt dat hij zich niet gebonden heeft gevoeld aan de vermeende afspraken.
Uit het voorgaande volgt dat partijen op 26 oktober 2027 weliswaar uitgangspunten voor de verdeling in kaart hebben gebracht en dat op onderdelen overeenstemming bestond, maar van een alle onderhavige geschilpunten omvattende en perfecte overeenkomst tot verdeling in de zin van artikel 3:182 BW is geen sprake.
Op grond van het bepaalde in artikel 3:185 BW geldt dat voor zover deelgenoten over een verdeling niet tot overeenstemming komen, de rechter op verzoek van een van hen de wijze van verdeling gelast, dan wel dat de rechter de verdeling zelf vaststelt.
Hij dient hierbij zowel rekening te houden met de belangen van de partijen als met het algemeen belang.
De betrokken partijen kunnen naar voren brengen hoe deze verdeling naar zijn of haar zienswijze moet plaatsvinden.
De rechter is volgens vaste rechtspraak echter niet gebonden aan hetgeen partijen ter zake over en weer hebben verzocht en behoeft ook niet expliciet in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren.
De rechter kan in diens afweging acht slaan op het gegeven dat partijen het over onderdelen van de verdeling eens zijn geworden.
Verder geldt ten aanzien van de waardering van de onroerende zaken voor de verdeling het volgende.
Als de rechter op de voet van artikel 3:185 BW de verdeling heeft vastgesteld, geldt de datum van de uitspraak als de datum van de verdeling.
Als peilmoment voor de waardering van tot een gemeenschap behorende goederen geldt de datum van de verdeling, tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen, of als op grond van redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard (vgl. HR 8 december 2023, HR:2023:1722).
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.