Van onze advocaat verdeling erfenis. Op 3 maart 2017 heeft de advocaat-generaal bij het Parket bij de Hoge Raad de verdeling van een nalatenschap volgens de artikelen 3:178 en 3:185 BW toegelicht.

Een partij die zich in een onverdeeldheid bevindt kan volgens artikel 3:178 lid 1 BW te allen tijde verdeling vorderen. Die vordering kan in grote lijnen twee gedaanten aannemen. In de eerste plaats kan de deelgenoot veroordeling van de andere deelgenoten vorderen om aan de verdeling mee te werken (artikel 3:178 lid 1 BW). In de tweede plaats kan de deelgenoot vorderen dat de rechter de wijze van verdeling zal gelasten of de verdeling zelf zal vaststellen (artikel 3:185 lid 1 BW).

Toewijzing van een vordering in eerstbedoelde zin leidt niet steeds tot een finale beslechting van het geschil, omdat in het vervolgtraject kan blijken dat partijen het over de inhoud van de verdeling niet eens kunnen worden. In dat geval is alsnog een vordering in de laatstbedoelde zin nodig.

Indien een procedure is aangevangen met een vordering tot medewerking aan de verdeling kan tijdens het geding aan de rechter of aan partijen blijken dat complicaties in het vervolgtraject waarschijnlijk, althans mogelijk zijn, en dat het daarom beter is dat de rechter de wijze van verdeling gelast of de verdeling zelf vaststelt.

De wetgever heeft dit onder ogen gezien en is om die reden in artikel 677 en 678 Rv afgeweken van wat in andere gevallen geldt. Volgens artikel 677 lid 1 Rv kan de rechter in bedoeld geval de vaststelling van de verdeling aan zichzelf houden, dus zonder dat dit is gevorderd. De rechter die heeft te beslissen op een vordering tot medewerking aan een verdeling kan dus in afwijking van artikel 23 Rv iets anders toewijzen dan is gevorderd. Hij kan namelijk de wijze van verdeling gelasten of de verdeling zelf vaststellen. Of de rechter dit wel of niet doet, is aan zijn beleid overgelaten; hij mag zich ook beperken tot een beslissing op de vordering.

Uiteraard kunnen partijen ook zelf bedenken dat het wenselijk is dat de rechter het geschil finaal zal beslechten. Eiser kan daaraan reeds volgens de gewone regels gevolg geven door zijn eis te wijzigen en dus zijn vordering tot medewerking aan een verdeling te vervangen door een vordering tot het gelasten van de wijze van verdeling dan wel tot vaststelling van de verdeling. Uiteraard is de rechter in dat geval niet vrij meer om de oorspronkelijke eis nog toe te wijzen; hij dient over de gewijzigde eis te beslissen.

Artikel 678 lid 2 Rv houdt in aanvulling hierop in dat zolang geen volledige overeenstemming is bereikt, de meest gerede partij kan vorderen dat de rechter de wijze van verdeling gelast of zelf de verdeling vaststelt. Dit betekent dus dat ook gedaagde kan vorderen dat artikel 3:185 lid 1 BW toepassing zal vinden alsook dat een dergelijke vordering zowel door eiser als gedaagde ook nog in een laat stadium in de procedure kan worden ingesteld. Aldus hebben zowel eiser als gedaagde het in hun macht om de vrijheid van de rechter in te perken en deze te dwingen het geschil finaal te beslechten.

Heeft u vragen over de verdeling van een erfenis of over de verdeling van de erfenis door de rechter, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.