Van onze advocaat erfrecht. Onlangs heeft het Gerechtshof Den Haag uitspraak gedaan over overboekingen (€ 40.000) en pinopnames (€ 33.000) van rekening erflaatster door zus van erflaatster die de zaken waarnam.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat appellante een weinig geloofwaardig verhaal heeft met betrekking tot de door haar gestelde pinopnames en de afdracht van deze aanzienlijke bedragen aan de voordeur van erflaatster.

De advocaat van appellante stelt dat erflaatster haar verzocht had om de bankzaken te regelen. Appellante was de steun en toeverlaat van haar zus. Uit deze rechtsrelatie vloeit reeds voort dat appellante van haar werkzaamheden, zoals pinopnames en overboekingen, op een deugdelijke wijze rekening en verwoording dient af te leggen.

Met een bankpas van een ernstig zieke erflaatster voor een bedrag van ruim € 33.000,- pinnen in een periode van 20 maart 2013 tot 27 maart 2013 geeft geen blijk van zorgvuldig handelen. De visie van geïntimeerde, tevens echtgenoot en erfgenaam van erflaatster, die deze handelswijze onzorgvuldig acht wordt door het hof gedeeld.

Als een familielid in de laatste fase van zijn of haar leven een familielid haar of zijn zaken laat waarnemen kunnen aan deze waarneming niet al te hoge eisen worden gesteld. Niet voor iedere gebeurtenis of elk detail moet een verklaring worden afgelegd, echter van een totale pinopname van € 33.000,- in een dergelijk korte periode mag worden verlangd dat er een deugdelijke verklaring wordt gegeven waarom de bedragen zijn gepind en wat er met die bedragen is gedaan.

Gezien het feit dat appellante zelf heeft verklaard dat zij de beschikking had over de bankpas van erflaatster, erflaatster niet in staat was om te pinnen en geïntimeerde zich niet met de financiën van erflaatster in liet, gaat het hof er van uit dat appellante alle pinopnames heeft verricht.

Het hof is eveneens met de rechtbank van oordeel dat de verklaring die appellante heeft verstrekt met betrekking tot de pinopnames tot een totaalbedrag van € 10.000,- ongeloofwaardig is.

Zoals het hof hiervoor al heeft overwogen kan het hof zich volledig verenigen met het oordeel van de rechtbank dat voorshands bewezen wordt geacht de stelling van geïntimeerde dat appellante tot het bedrag van € 33.000,- geldbedragen heeft gepind en deze gepinde geldbedragen in haar bezit heeft behouden zonder dat zij daarvoor van erflaatster toestemming had en dat appellante in de gelegenheid moet worden gesteld om daartegen tegenbewijs te leveren.

Voor het tegenbewijs is onvoldoende dat appellante stelt dat zij de bedragen van in totaal € 33.000,- in een enveloppe bij de voordeur van erflaatster heeft afgegeven in aanwezigheid van de partner van appellante. In eerste aanleg heeft appellante geen getuigen doen horen noch andere bewijsstukken in het geding gebracht. Het schriftelijke bewijs dat appellante in appel in het geding heeft gebracht acht het hof niet relevant aangezien daaruit niet kan worden afgeleid dat zij het bedrag van € 33.000,- ook daadwerkelijk aan erflaatster ter hand heeft gesteld. Gezien de omvang van het bedrag had appellante tenminste een kwitantie dienen op te stellen temeer nu zij zelf stelt de bankzaken voor erflaatster in de betreffende periode te hebben verricht.

Heeft u vragen over het beheer over gelden van een erfenis vóór overlijden, over onrechtmatige onttrekking van gelden of over het afleggen van rekening en verantwoording, belt u dan gerust onze advocaat erfrecht op 020-2980150.