Van onze advocaat kindsdeel. Gerechtshof Den Haag heeft op 17 april 2018 uitspraak gedaan over de verjaring van een vordering op een nalatenschap.

De rechter komt tot het oordeel van de vordering is verjaard (artikel3:307 BW). De redelijkheid en billijkheid staat aan het gedane beroep op verjaring niet in de weg.

Partijen zijn geboren uit het huwelijk van de vader en de moeder. De vader is overleden in 2004 (hierna te noemen: erflater). Erflater had bij een uiterste wil over zijn nalatenschap beschikt.

De uiterste wil hield in een ouderlijke boedelverdeling waarbij erflater een verdeling tot stand heeft gebracht tussen zijn echtgenote en zijn afstammelingen. Erflater heeft aan zijn echtgenote toegedeeld alle goederen die tot zijn nalatenschap behoren onder gehoudenheid van zijn echtgenote om alle schulden voor haar rekening te nemen.

De moeder is overleden in 2013 (hierna te noemen: erflaatster). Erflaatster heeft bij uiterste wil over haar nalatenschap beschikt. Uit de uiterste wil volgt dat erflaatster tot executeur heeft benoemd appellante en geïntimeerde. Zij dienen hun taak tezamen uit te voeren. Tot de taak van de executeur behoort de goederen van de nalatenschap te beheren en de schulden te voldoen.

Op grond van art 4:145 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) vertegenwoordigt de executeur de erfgenamen in en buiten rechte.

Er is sprake van een privatieve bevoegdheid. Het hof gaat ervan uit dat Dochter een en Dochter drie in hun hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van erflaatster door Dochter twee zijn gedagvaard. Voorts gaat het hof ervan uit dat – mede bezien de memorie van antwoord aan de zijde van Dochter drie – Dochter een en Dochter drie in appel optreden in hun hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van erflaatster.

De kern van het geschil is dat Dochter twee meent nog een vordering te hebben op de nalatenschap van erflaatster van € 12.667,39.

Uit de gewisselde stukken volgt dat Dochter twee een beleggingsrekening had bij de ABN-AMRO bank met nummer.

De rekening stond eveneens op naam van erflater aangezien hij het beheer voerde. Geïntimeerde is van mening dat het saldo van die rekening tot haar vermogen behoorde . Erflater heeft in 2003 het beleggingssaldo van voormelde rekening overgeboekt naar zijn eigen rekening.

In de visie van Dochter twee heeft erflater het saldo van de beleggingsrekening overgeboekt zonder haar instemming. Door het overboeken van het beleggingssaldo door erflater naar zijn eigen rekening is het saldo goederenrechtelijk overgegaan naar het vermogen van erflater. Indien de overboeking is geschied zonder recht of titel heeft Dochter twee een vordering op erflater die met inachtneming van de ouderlijke boedelverdeling is overgegaan op erflaatster.

 Verjaring van de vordering. Redelijkheid en billijkheid.

De rechter oordeelt als volgt.

Het hof begrijpt uit de toelichting op grief 1 dat Dochter een van mening is dat de vordering van Dochter twee van € 12.667,39 in elk geval is verjaard.

Het hof overweegt als volgt. Het meest verstrekkende verweer van Dochter drie en Dochter een is dat de door Dochter twee gepretendeerde vordering met betrekking tot het aandelenpakket van € 12.667,39 is verjaard.

De rechter mag niet ambtshalve het middel van verjaring toepassen. Een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden (3:307 BW).

Een rechtsvordering tot vergoeding van schade of tot betaling van een bedongen boete verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade of opeisbaarheid van de boete als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden (3:310 BW).

Erkenning van het recht tot welks bescherming een rechtsvordering dient, stuit de verjaring van de rechtsvordering tegen hem die het recht erkent (3:318 BW). Erkenning moet rechtstreeks plaatsvinden jegens degene tegen wie de verjaring loopt. Het enkele feit dat partijen in discussie zijn met betrekking tot een mogelijke vordering houdt geen erkenning in.

Uit de uiterste wil van erflater volgt dat hij gebruik heeft gemaakt van een ouderlijke boedelverdeling. Op basis van deze uiterste wil diende erflaatster alle schulden met betrekking tot zijn nalatenschap te voldoen.

Uit de uiterste wil van erflaatster volgt dat Dochter een en Dochter drie hun taak als executeur in de nalatenschap van erflaatster gezamenlijk dienen uit te voeren.

Uit de gewisselde stukken volgt dat erflater bij leven over de beleggingsrekeningen die mede ten name stonden van zijn kinderen het beheer voerde. Voorts volgt uit de gewisselde stukken dat Dochter twee haar vordering met betrekking tot de beleggingsrekening al in 2005 aan de orde heeft gesteld bij erflaatster.

In de brief van 16 juni 2005 van erflaatster aan Dochter twee is vermeld: “Als zijnde executeur testamentair kan ik je het volgende meedelen, na bestudering van alle stukken: Inzake jullie eis van € 13.217,- …. Blijft een bedrag ad € 1.698,72 welke binnen 7 dagen zal worden overgemaakt op giro rekening nr 1260491.”

Uit deze brief volgt dat erflaatster de vordering van Dochter twee voor slechts een bedrag van € 1.698,72 heeft erkend en dat zij na betaling van dat bedrag ervan uitgaat dat de zaak is afgesloten en afgedaan. Deze brief is mede ondertekend door Dochter drie.

Het was aan erflaatster in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap van erflater om de gepretendeerde vordering van Dochter twee al dan niet te erkennen en te voldoen. Op basis van de ouderlijke boedelverdeling diende zij alle schulden te betalen. Het feit dat Dochter twee op voormelde brief geen actie meer heeft ondernomen om de door haar gepretendeerde vordering te incasseren komt voor haar rekening en risico.

De e-mail van Dochter drie van 15 augustus 2014 is gericht aan de notaris en niet rechtstreeks aan Dochter twee. In deze e-mail verklaart zij: “Hiermee verklaar ik akkoord te gaan met de extra vordering van Dochter twee op de boedel i.v.m. de beleggingen, en/of rekeningen van de vader ad € 12.000,00.”

Uit deze mail volgt niet dat zij als executeur van de nalatenschap van erflaatster haar standpunt weergaf. Uit de executele zoals verwoord in de uiterste wil van erflaatster volgt dat Dochter drie gezamenlijk met Dochter een dient te handelen, hetgeen niet het geval is geweest.

Bovendien dient de verklaring van Dochter drie zoals vermeld in voormelde e-mail geplaatst te worden in zijn context. In randnummer 20 van de memorie van antwoord geeft zij aan dat de oplossing is gesuggereerd door de notaris en zij om de lieve vrede op de suggestie is ingegaan. Uit een e-mailbericht aan Dochter twee volgt, dat Dochter twee op 9 september 2014 op de hoogte is gesteld dat Dochter drie was teruggekomen op haar e-mail van 15 augustus 2014.

Van een rechtsgeldige erkenning door Dochter drie van de gepretendeerde vordering van Dochter twee is derhalve geen sprake. Het horen van Dochter drie in het kader van de erkenning van de vordering acht het hof niet noodzakelijk nu Dochter twee niet aangeeft wat Dochter drie anders zou kunnen verklaren dan hetgeen zij reeds schriftelijk heeft verklaard.

Op grond van hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen volgt reeds dat de gepretendeerde vordering van Dochter twee is verjaard.

Ook de redelijkheid en billijkheid verzetten zich niet tegen een beroep op verjaring: op 16 juni 2005 wist Dochter twee dat door de betaling van € 1.698,72 de zaak in de visie van erflaatster was afgedaan. De grief treft doel, het bestreden vonnis dient derhalve te worden vernietigd en de inleidende vordering dient te worden afgewezen.

Gezien het hof hiervoor heeft overwogen behoeven de overige grieven geen bespreking meer aangezien die niet relevant zijn voor het onderhavige oordeel.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over het kindsdeel of over de legitieme, over de taken en bevoegdheden van een executeur of over verjaringstermijnen in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.