Van onze advocaat verdeling erfenis. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 22 maart 2018 uitspraak gedaan over een verzoek tot machtiging van beneficiaire aanvaarding.

Verzoeken op grond van artikel 4:194a BW kunnen slechts worden gedaan door een erfgenaam die de nalatenschap zuiver heeft aanvaard.

Verzoeker stelt in hoger beroep dat hij nooit zuiver heeft aanvaard en dat de kantonrechter heeft nagelaten dat te beoordelen.

Dat roept de vraag op waarom hij dan verzoeken op de voet van artikel 4:194a BW heeft gedaan.

Deze vraag is op de mondelinge behandeling bij het hof aan de orde gesteld. Verzoeker heeft verklaard dat hij met een medewerkster van de notaris heeft gesproken over de brief van het zorgkantoor en heeft gevraagd wat te doen. De medewerkster van de notaris heeft toen gesproken over beneficiaire aanvaarding. De advocaat van verzoeker heeft verklaard dat de medewerkster van de notaris hem heeft gezegd dat het verzoek bij de kantonrechter eigenlijk voorwaardelijk is ingediend, omdat de notaris niet heeft kunnen vaststellen of er wel of geen keuze ten aanzien van de nalatenschap was gemaakt en dat het verzoek zekerheidshalve vanwege de vervaltermijn van drie maanden na de ontdekking van de onverwachte schuld is ingediend.

Machtiging beneficiaire aanvaarding

De rechter oordeelt als volgt.

Zuivere aanvaarding geschiedt door het afleggen van een verklaring van zuivere aanvaarding (art. 1:191 lid 1 BW), door feitelijk handelen (een daad van zuivere aanvaarding) (art. 192 lid 1 BW) of door na te laten binnen een door de kantonrechter op verzoek van een belanghebbende gestelde termijn een keuze te maken voor verwerping of aanvaarding (art. 4:192 lid 2 BW).

Een erfgenaam die nog geen keuze heeft gemaakt, wordt geacht beneficiair te aanvaarden wanneer een of meer van zijn mede-erfgenamen door een verklaring beneficiair aanvaarden, tenzij hij alsnog de nalatenschap zuiver aanvaardt of verwerpt binnen drie maanden nadat hij van die beneficiaire aanvaarding kennis heeft gekregen (art. 4:192 lid 4 BW).

Vast staat dat de verzoeker geen verklaring van zuivere aanvaarding heeft afgelegd. Vast staat ook dat aan de verzoeker, die nog geen keuze had gemaakt, door de kantonrechter niet een termijn is gegeven waarbinnen hij alsnog een keuze diende te maken.

Vast staat voorts dat de mede-erfgenamen die de nalatenschap verworpen heeft) de nalatenschap beneficiair hebben aanvaard, dat verzoeker daar in elk geval ten tijde van het indienen van het verzoek bij de kantonrechter kennis van had, zodat hij op de voet van artikel 4:194 lid 4 BW geacht wordt beneficiair te hebben aanvaard.

De verklaring van verwerping is niet tijdig binnen drie maanden nadat verzoeker kennis kreeg van de beneficiaire aanvaarding door zijn broers en zussen afgelegd, zodat in weerwil van deze verklaring geen sprake is van verwerping van de nalatenschap door verzoeker.

Dat kan alleen nog anders zijn indien verzoeker zich op enig moment ondubbelzinnig en zonder voorbehoud heeft gedragen als een zuiver aanvaard hebbend erfgenaam. Dat dit het geval zou zijn is gesteld noch gebleken.

Uit hetgeen de andere erfgenamen op de mondelinge behandeling hebben verklaard kan het hof niet anders afleiden dan dat verzoeker op geen enkele wijze betrokken is geweest bij de afwikkeling van de nalatenschap.

Het hof is van oordeel dat uit het indienen van een verzoekschrift op grond van artikel 4:194a BW in de hiervoor geschetste omstandigheden en gelet op de bewoordingen van het verzoekschrift niet afgeleid kan worden dat er daaraan voorafgaand sprake is geweest van zuivere aanvaarding.

Het hof is voorts van oordeel dat het enkele feit van indiening van dit verzoekschrift in de gegeven omstandigheden evenmin gezien kan worden als een daad van zuivere aanvaarding. Dat laat onverlet dat het beter ware geweest dat de notaris niet namens verzoeker de verzoeken bij de kantonrechter had gedaan dan wel in zijn verzoekschrift zorgvuldiger had verwoord dat de verzoeken alleen werden gedaan voor het geval mocht blijken dat verzoeker toch zuiver zou hebben aanvaard.

Nu de verzoeker de nalatenschap ten tijde van de indiening van het verzoekschrift niet zuiver had aanvaard, had de verzoeker niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in zijn verzoeken. De daarop gerichte grief slaagt.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de verdeling van een erfenis, over het verschil tussen zuivere en beneficiaire aanvaarding of over een verzoek aan de rechter voor machtiging van beneficiaire aanvaarding, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.