Van onze advocaat erfrecht. De Midden-Nederland heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de vereffening van een nalatenschap en de kosten ter vereffening van de nalatenschap als schulden van de nalatenschap.

Erflater en erflaatster zijn de ouders van verzoekers. Verzoekers zijn de erfgenamen van hun ouders.

De vereffenaar is benoemd tot vereffenaar van gemelde nalatenschappen bij beschikking van de rechtbank van 12 november 2015.

Vereffening van een nalatenschap en de kosten als schulden van de nalatenschap

De rechter oordeelt als volgt.

De vereffenaar heeft tot taak om, na het verbindend worden van de uitdelingslijst, aan ieder van de schuldeisers van de nalatenschap uit te keren waar hij volgens de uitdelingslijst recht op heeft (artikel 4:220 lid 1 BW).

Schuldeisers van de nalatenschap zijn zij die gerechtigd zijn tot een vordering die aan de passiefzijde is aan te merken als een schuld van de nalatenschap. Welke schulden als schulden van de nalatenschap worden aangemerkt wordt bepaald door artikel 4:7 lid 1 BW:

“Schulden van de nalatenschap zijn:

  1. de schulden van de erflater die niet met zijn dood tenietgaan, voor zover niet begrepen in onderdeel i;
  2. de kosten van lijkbezorging, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene;
  3. de kosten van vereffening van de nalatenschap, met inbegrip van het loon van de vereffenaar;
  4. de kosten van executele, met inbegrip van het loon van de executeur;
  5. de schulden uit belastingen die ter zake van het openvallen der nalatenschap worden geheven, voor zover zij op de erfgenamen komen te rusten;
  6. de schulden die ontstaan door toepassing van afdeling 2 van titel 3;
  7. de schulden ter zake van legitieme porties waarop krachtens artikel 80 aanspraak wordt gemaakt;
  8. de schulden uit legaten welke op een of meer erfgenamen rusten;
  9. de schulden uit giften en andere handelingen die ingevolge artikel 126 worden aangemerkt als legaten.”

Alleen de in artikel 4:7 lid 1 BW genoemde schulden komen in beginsel voor opname in de uitdelingslijst in aanmerking.

Tot de schulden van de nalatenschap behoren niet de (aanspraken op) aandelen in de nalatenschap van de erfgenamen. Evenmin behoren tot de schulden van de nalatenschap de vorderingen van erfgenamen jegens elkaar.

De verdeling van de nalatenschap vindt pas plaats nadat de uitkering aan de schuldeisers heeft plaatsgevonden en de vereffening met een overschot is geëindigd.

De vereffenaar dient er in dat geval, op grond van artikel 4:226 lid 2 BW, zorg voor te dragen dat de nalatenschap wordt verdeeld.

Het is niet de taak van de vereffenaar om zelf te verdelen.

De berekening van de uitkering aan de erfgenamen die als bijlage bij de uitdelingslijst is gevoegd, is gelet daarop niet meer dan een voorstel van de vereffenaar om tot verdeling te komen.

Zoals hiervoor is overwogen kan het verzet dan ook geen betrekking hebben op dat verdelingsvoorstel.

Voor zover het verzet zich richt tegen de betwisting door de vereffenaar van de vorderingen genoemd is het ongegrond.

De aldaar bedoelde kosten zijn gemoeid met de juridische bijstand in opdracht en ten behoeve van de aldaar genoemde individuele verzoekers, dan wel betreffen (niet nader onderbouwde) kosten welke in dat verband door die verzoekers zelf zijn gemaakt.

Dergelijke kosten zijn niet aan te merken als schulden van de nalatenschap: anders dan de betreffende verzoekers betogen, behoren die kosten niet tot de kosten van vereffening.

De kosten van vereffening zijn van gelijke aard als de boedelschulden bij faillissement.

Ten aanzien van die laatstgemelde schulden geldt (zie Hoge Raad 19 april 2013, Koot/Tideman q.q., HR:2013:BY6108) dat op grond van de wet boedelschulden slechts die schulden zijn die een onmiddellijke aanspraak geven jegens de faillissementsboedel hetzij ingevolge de wet (bedoeld worden in de wet expliciet genoemde vorderingen zoals de huurvordering opgekomen tijdens de opzegperiode van artikel 39 Faillissementswet), hetzij omdat zij door de curator in zijn hoedanigheid zijn aangegaan, hetzij omdat zij een gevolg zijn van een handelen van de curator in strijd met een door hem in zijn hoedanigheid na te leven verbintenis of verplichting. Onder het aangaan van een schuld door de curator in deze zin is te verstaan dat de curator deze schuld op zich neemt bij een rechtshandeling, doordat zijn wil daarop is gericht (art. 3:33 en 3:35 BW).

De uit het arrest Koot/Tideman q.q. volgende regeling voor de boedelschulden bij faillissement is van overeenkomstige toepassing op de kosten van de vereffening.

De vorderingen genoemd geven geen aanspraak op de nalatenschap: zo’n aanspraak vloeit niet voort uit de wet, de (rechts)handelingen waaruit de vorderingen voortvloeien zijn niet door de vereffenaar aangegaan of verricht en zijn evenmin het gevolg van een handelen van de vereffenaar in strijd met een door hem in zijn hoedanigheid na te leven verbintenis of verplichting.

Ook voor zover het verzet zich richt tegen de betwisting door de vereffenaar van de overige vorderingen genoemd is het ongegrond.

Die vorderingen betreffen door verzoekers sub 3 en sub 4 (vermeend) gederfde rente wegens het te laat ontvangen van hun voorschotten (b en c) en het tijdelijk opnemen van executeursloon (e). Ook die vorderingen zijn niet aan te merken als schulden van de nalatenschap: het zijn (vermeende) vorderingen van erfgenamen onderling. Of die vorderingen bij de verdeling moeten worden “rechtgetrokken” is aan de erfgenamen. Verwezen wordt naar hetgeen hiervoor is overwogen

De verdere vorderingen genoemd betreffen vorderingen tot schadevergoeding van de erfgenamen jegens de voormalige executeurs. Ook die vorderingen behoren niet tot een in artikel 4:7 lid 1 BW genoemde categorie schulden. Het verzet wordt voor zover het deze vorderingen betreft afgewezen.

Ten aanzien van de betwiste vorderingen van één van de voormalige executeurs overweegt de kantonrechter als volgt.

Deze kosten vallen onder de kosten van executele genoemd in artikel 4:7 lid 1 aanhef en sub d BW. De vereffenaar heeft de vordering echter betwist door te stellen dat de erfgenaam in een e-mail van 14 november 2014 en (in een andere procedure) in een pleitnota van 6 mei 2016 voor een mondelinge behandeling afstand heeft gedaan van zijn executeursloon en dat de erfgenaam, net als de andere voormalige executeur, het door hem opgenomen executeursloon van € 25.000,00 op verzoek van de vereffenaar heeft teruggestort op de boedelrekening.

Ten aanzien van de verder genoemde betwiste vorderingen overweegt de kantonrechter als volgt.

De vorderingen onder 2.13 a en d genoemd vallen onder de kosten van lijkbezorging als bedoeld in artikel 4:7 lid 1 aanhef en sub b BW, althans voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledenen.

De erfgenamen hebben niet gesteld dat de kosten waarop hun verzet ziet niet in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledenen.

Zij maken bezwaar tegen deze kosten omdat zij zich – kort gezegd – niet dan wel niet genoeg bij de keuze van de grafsteen en de bedankkaartjes betrokken voelen. Daar gaat het niet om: het gaat er slechts om of de kosten in overeenstemming zijn met de omstandigheden van hun ouders. Hun betoog dat er ook goedkopere varianten grafsteen gekozen hadden kunnen worden, slaagt om die reden evenmin: de gedane uitgave moet gelet op (wat ouderwets gezegd:) stand en aanzien van de overledenen passend zijn. De wet verplicht niet tot de goedkoopste oplossing.

Gelet op het batig saldo van de nalatenschap van ongeveer 1,4 miljoen euro (volgens de uitdelingslijst) en de daaruit af te leiden stand en aanzien van verzoekers ouders zijn de kosten van het grafmonument van in totaal € 4.583,00 en van de bedankkaartjes van in totaal € 295,98 bepaald niet als niet passend te beschouwen.

De overige vorderingen genoemd zijn aan te merken als kosten van de executele: zij vloeien voort uit de opdracht van de toenmalige executeurs aan de notaris en aan de hovenier. Die opdrachten zijn gegeven in de normale uitoefening van de executele.

De erfgenamen hebben ter betwisting van die vorderingen betoogd dat – kort gezegd – de notaris geen boedelnotaris was en niet optrad namens alle erfgenamen en dat niet is aangetoond met bewijsstukken dat het gras is gemaaid.

Dat betoog treft geen doel: aan de executeur komt een zekere discretionaire bevoegdheid toe om, voor zover de omvang van de boedel dat toelaat, derden in te schakelen om hem te ondersteunen in de executele.

Zonder nadere toelichting van de erfgenamen, welke toelichting ontbreekt, is niet duidelijk waarom de voormalige executeurs met het geven van deze opdrachten de grenzen van hun bevoegdheid zouden hebben overtreden. Het verzet van de erfgenamen is ook op dit onderdeel ongegrond.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een nalatenschap, over de kosten van de vereffening als schulden van de nalatenschap, over de taak en bevoegdheden van de executeur of over de kosten van de executele als schulden van de nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat erfrecht op 020-3980150