Van onze advocaat verdeling erfenis. De Rechtbank Noord-Holland heeft op 1 mei 2019 uitspraak gedaan over de verdeling van gelden op een bankrekening.

De (overleden) vader van eiseres had een familierekening geopend waarop gelden ten behoeve van de kinderen stonden.

Moeder, gedaagde, was aangewezen als beheerder van die rekening.

Eiseres, dochter, vordert nu uitkering van haar deel op die rekening.

Zij stelt dat doordat moeder de familierekening heeft opgeheven het geld dat daarop stond zonder toestemming van eiseres op een andere wijze heeft belegd, haar beheer over die rekening is geëindigd.

De rechtbank is van oordeel dat de familierekening en het beheer van moeder aan elkaar gekoppeld waren.

Omdat de rekening niet meer bestaat en het geld is herbelegd, zonder dat gebleken is van overeenstemming daarover met de kinderen, is het beheer van moeder – ook gelet op de kennelijke bedoeling van de erflater – geëindigd.

Omdat moeder het vrijgekomen geld het vrijgekomen geld heeft herbelegd in vastgoed is er geen sprake meer van daden van beheer, maar van beschikking. De vordering van dochter op moeder wordt toegewezen.

Eiseres stelt ter adstructie van haar vorderingen dat gedaagde, zonder de kinderen daarvan op de hoogte stellen en zonder dat eiseres daarmee heeft ingestemd, de familierekening heeft opgeheven.

Daarmee is het beheer van die rekening geëindigd. Gedaagde heeft daarmee niet overeenkomstig haar bevoegdheden als beheerder gehandeld.

Indien gedaagde nog wel als beheerder moet worden aangemerkt, stelt eiseres dat er sprake is van wanbeheer omdat gedaagde zich niet heeft gehouden aan de bepalingen van de beheersovereenkomst.

Tevens is het vermogen van de familierekening vermengd met vermogen van gedaagde zelf en is er geen gescheiden administratie van beide vermogens bijgehouden.

Ook heeft gedaagde structureel nagelaten een opgave te verstrekken van het vermogen op de rekening.

Gedaagde voert aan dat zij op grond van de beheersovereenkomst – met uitsluiting van de kinderen – bevoegd is om alle handelingen te verrichten die voor een goed beheer noodzakelijk of wenselijk zijn, waaronder het kopen en verkopen van effecten, alsmede het doen van opnames of overboekingen.

Op grond van de beheersovereenkomst was gedaagde derhalve bevoegd om het vermogen van de rekening op te nemen en te herbeleggen.

De beheersovereenkomst is daardoor niet geëindigd omdat de beheersovereenkomst niet alleen ziet op het beheer van de rekening, maar ook op het vermogen.

Alle kinderen hebben volgens gedaagde ingestemd met herbelegging van het vermogen op de familierekening in vastgoed en dat het vermogen, zoals dat was opgenomen, boekhoudkundig zou renderen met een zakelijk-/fiscaal aanvaardbare rente.

De door eiseres gevorderde inzage is reeds verstrekt. Ten slotte betwist gedaagde dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan wanbeleid of aan verkwisting.

Verdeling van gelden op een bankrekening. Beheer. Einde van het beheer. Belegging in vastgoed.

De rechter oordeelt als volgt.

De rechtbank is voorshands van oordeel dat als gevolg van het door gedaagde opheffen van de familierekening, die tevens op naam van de kinderen stond, bij ABN AMRO de beheersovereenkomst is geëindigd.

De familierekening en de beheersovereenkomst waren immers, gelet op de bewoordingen van die overeenkomst en de kennelijke bedoeling van wijlen erflater, onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Die vaststelling leidt er vervolgens toe dat ook de in de beheersovereenkomst opgenomen privatieve last aan gedaagde tot een einde is gekomen.

Tussen partijen staat vast dat gedaagde vervolgens vastgoed in [land] heeft aangekocht en dat in verband daarmee ten behoeve van de kinderen vanaf 21 juni 2010 een zakelijke rente is geadministreerd.

De rechtbank is van oordeel dat het aankopen van vastgoed niet kan worden beschouwd als een daad van beheer, maar veeleer als een daad van beschikken.

Onder beheer wordt in het algemeen immers verstaan het hebben van de zorg en verantwoordelijkheid voor het in stand houden van een zaak of goed, terwijl beschikken veel meer ingrijpend is, namelijk het zelfstandig en vrijelijk over een goed kunnen beslissen omdat men daarvan het bezit heeft.

Daar komt bij dat het de rechtbank niet is gebleken dat de kinderen destijds hebben ingestemd met het opheffen van de familierekening, waartoe ook zij gerechtigd waren, en het vervolgens aankopen van het vastgoed.

De door gedaagde overgelegde verklaring van twee van haar kinderen spreekt slechts van overleg tussen gedaagde en de kinderen, maar dat staat niet gelijk aan overeenkomen.

Daar komt bij dat gedaagde ter comparitie niet erg specifieke verklaringen heeft afgelegd over de door haar gekozen vastgoedconstructie. Zo is onduidelijk gebleven met welk vermogen de aankoop van het vastgoed is gerealiseerd. Wel is vast komen te staan dat het vastgoed niet op naam van de kinderen is gesteld, maar op naam van slechts gedaagde zelf. Ook is de verkoopopbrengst van de woning door gedaagde herbelegd zonder dat gebleken is dat zij daarover rekening en verantwoording aan de kinderen heeft afgelegd.

Op grond van hetgeen hiervoor werd overwogen komt de rechtbank dan ook tot de slotsom dat er vanaf 21 juni 2010 geen sprake meer was van een familierekening op naam van (ook) de kinderen, maar van een (boekhoudkundig beschouwd) rentedragende lening van gedaagde aan de kinderen, waarover een zakelijke en fiscaal aanvaardbare rente wordt vergoed.

Dit, noch het aankopen van vastgoed, valt te kwalificeren als daden van beheer in vorenbedoelde zin. Het aangaan van een lening en het aankopen van vastgoed vallen niet te kwalificeren als beheer van vermogen, maar als daden van beschikking.

Dat de kinderen hebben ingestemd met het aangaan van een overeenkomst van geldlening, hetgeen door eiseres is betwist, is de rechtbank niet gebleken.

Voor zover gedaagde betoogt dat de privatieve last na 21 juni 2010 zou zijn voortbestaan faalt dit betoog.

Indien er veronderstellenderwijze al van uit moet worden gegaan dat de last is voortbestaan na de opzegging van de familierekening door gedaagde dan zou – indachtig en overeenkomstig de bedoelingen van wijlen erflater– voor het voortbestaan van die last nodig zijn dat het vermogen op een nieuwe beheersrekening zou worden gestort. Vast staat dat dit niet is geschied.

De slotsom is dan ook dat het aan eiseres toekomende deel van het vermogen op de familierekening met het eindigen van de beheersrekening op 21 juni 2010 opeisbaar is geworden.

Uit de berekening van de accountant, die als productie bij de conclusie van antwoord in het geding is gebracht en waarvan de juistheid door partijen niet is weersproken, blijkt dat op voormelde datum per kind een vordering is ontstaan van € 151.915,00. De rechtbank zal dit bedrag dan ook toewijzen.

De gevorderde wettelijke rente over dat bedrag van 21 juni 2010 zal worden afgewezen, nu deze rente niet is overeengekomen en eiseres niet heeft aangetoond dat gedaagde met haar betalingsverplichting in verzuim is geraakt.

Gedaagde is immers niet ingebrekegesteld, noch is gebleken dat de termijn van 21 juni 2010 als fatale termijn in de zin van artikel 6:83 onder a BW heeft te gelden.

De wettelijke rente zal dan ook worden toegewezen vanaf de dag der dagvaarding, zijnde 10 augustus 2018.

De vordering tot betaling van een dwangsom zal worden afgewezen, nu ingevolge artikel 611a, eerste lid, Rv geen dwangsom kan worden opgelegd ten aanzien van vorderingen tot betaling van een geldsom.

De vordering tot afgifte van stukken wordt afgewezen, omdat [eiseres] bij toewijzing daarvan geen belang meer heeft. De omvang van haar vordering per 21 juni 2010 is immers hiervoor reeds vastgesteld.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over het kindsdeel of over de legitieme, over beheer of over het einde van beheer, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.