Van onze advocaat verdeling erfrecht. Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 25 juli 2017 uitspraak gedaan over de uitleg van een testamentair bewind.

Partijen zijn broers en zus van elkaar. Op 25 mei 2010 is de moeder van partijen, erflaatster, overleden. Erflaatster heeft bij testament van 7 april 2005 over haar uiterste wil beschikt. Z is door erflaatster onterfd. X heeft de erfstelling onder het voorrecht van boedelbeschrijving aanvaard.

In het testament van erflaatster is onder andere de volgende bepaling opgenomen:

BEWIND

Ik bepaal dat al hetgeen mijn zoon Y en, indien en voor zover op hen van toepassing: mijn dochters alsmede hun afstammelingen – hierna te noemen: de onderbewindgestelden – uit mijn nalatenschap (zullen) verkrijgen, onder bewind van een bewindvoerder moet worden gesteld, waartoe ik reeds nu voor alsdan benoem mijn zoon X.

Ten aanzien van deze bewinden bepaal ik:

Het bewind vangt aan bij mijn overlijden en eindigt op de dag waarop de onderbewindgestelden overlijden.

Het bewind is ingesteld in het belang van de rechthebbenden (in de zin van artikel 4:153 en volgende van het Burgerlijk Wetboek) alsmede op de grond dat de onderbewindgestelden door mij ongeschikt of onmachtig worden geacht in het beheer te voorzien (in de zin van artikel 4:75 van het Burgerlijk Wetboek).

In het bestreden vonnis heeft de rechtbank voor zover hier van belang voor recht verklaard dat het in het testament van erflaatster opgenomen testamentaire bewind geen effect sorteert jegens Z. De vordering van Z uit hoofde van haar legitieme portie op X c.s. als de gezamenlijke erfgenamen van erflaatster is vastgesteld op een bedrag van € 67.205,52. Verder is X in zijn hoedanigheid van executeur veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Z te voldoen als een schuld van de nalatenschap een bedrag van € 67.205,52, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 november 2010, voor zover dit percentage hoger is dan zes, berekend per jaar waarbij telkens uitsluitend de hoofdsom in aanmerking wordt genomen.

De advocaat van X c.s. is in principaal appel met zes grieven tegen dit eindvonnis opgekomen. Z heeft in incidenteel appel vier grieven tegen het eindvonnis aangevoerd. Het hof zal deze grieven hierna bespreken, waar mogelijk gezamenlijk.

Testamentaire bewind

De eerste grief van X c.s. gaat over het testamentaire bewind. De rechtbank heeft voor recht verklaard dat het testamentaire bewind geen effect sorteert jegens Z. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat artikel 4:153 BW bepaalt dat een erflater bij uiterste wilsbeschikking bewind kan instellen over een of meer door hem nagelaten of vermaakte goederen.

Voorts bepaalt artikel 4:75 BW dat de waarde van hetgeen een legitimaris krachtens erfrecht onder bewind kan verkrijgen, onder voorwaarden die hier niet van belang zijn, ook bij verwerping in mindering komt van zijn legitieme portie. Uit beide bepalingen volgt dat voor het instellen van bewind nodig is dat de erflater iets aan de onder bewind gestelde nalaat.

In artikel 4:153 BW is dit met zoveel woorden bepaald en in artikel 4:75 BW volgt dit uit de daarin genoemde verwerping. Daarvan kan immers alleen sprake zijn indien de erflater de betrokken erfgenaam iets heeft nagelaten. Dat kan zijn krachtens erfstelling, legaat, lastbevoordeling of versterferfrecht. Aangezien erflaatster Z in haar testament expliciet heeft onterfd, is van nalaten als hiervoor bedoeld geen sprake. Z oefent een wilsrecht uit en heeft slechts een aanspraak op de boedel in geld. Het bewind strekt zich in dit geval daarom niet uit tot de legitieme portie van Z, aldus nog steeds de rechtbank.

X c.s. voeren aan dat hetgeen de rechtbank heeft overwogen in de onderhavige zaak niet ter zake doet omdat het testament bepaalt: Het bewind vangt aan bij mijn overlijden en eindigt op de dag waarop de onderbewindgestelden overlijden. Het bewind is ingesteld in het belang van de rechthebbenden (in de zin van art. 4:153 en volgende van het burgerlijk wetboek). Deze passage beoogt niet een bewind in te stellen op basis van artikel 4:153 BW maar beoogt de belangen te beschermen van Y, wiens erfdeel op basis van artikel 4:153 BW onder bewind gesteld kan worden. Voorts beoogt het testament mede de legitieme porties van de drie onterfde zusters niet opeisbaar te maken bij leven van Y. Het testament bevat, aldus de advocaat van X c.s., een regeling dat de vorderingen van de legitimarissen pas opeisbaar zijn na het overlijden van Y.

Wanneer deze stelling voor juist wordt aangenomen, is de weg open voor beantwoording van de vraag of de door erflaatster getroffen regeling voldoet aan het bepaalde in artikel 4:82 BW, waarin is geregeld dat de regeling mede van toepassing kan zijn ten behoeve van een andere levensgezel indien deze met de erflater een gemeenschappelijke huishouding voert en een notarieel verleden samenlevingsovereenkomst is aangegaan.

Een redelijke wetsuitleg leidt ertoe dat onder een andere levensgezel mede wordt begrepen een gehandicapt kind dat niet voor zichzelf kan zorgen. Hoewel geen samenlevingsovereenkomst aanwezig is, hebben erflaatster en Y wel degelijk samengewoond en feitelijk een gemeenschappelijke huishouding gevoerd. In de gemeentelijke basisadministratie stonden zij op hetzelfde adres ingeschreven. Indien het hof dit alles niet volgt, ontstaat een onbillijke situatie die erflaatster niet heeft beoogd, aldus de advocaat van X c.s., zeker als alle drie de onterfde zussen de legitieme opeisen. X c.s. verzoeken het hof te bepalen dat het in het testament van erflaatster opgenomen bewind gelezen dient te worden als een regeling die krachtens redelijke wetsuitleg valt onder artikel 4:82 BW, waardoor de legitieme porties eerst opeisbaar worden na overlijden van Y.

De advocaat van Z voert gemotiveerd verweer. Het door erflaatster ingestelde bewind is wel degelijk een bewind ex artikel 4:153 BW en betreft alleen Y, nu Z is onterfd en het bewind zich niet uitstrekt over de legitieme portie waarop zij aanspraak maakt, omdat een testamentair bewind alleen kan worden ingesteld over een of meer door erflaatster nagelaten of vermaakte goederen.

De gevallen als bedoeld in artikel 4:82 BW waarop X c.s. zich beroepen, doen zich niet voor. Erflaatster heeft niet bepaald dat de legitieme portie niet opeisbaar is. Voorts is Y niet aan te merken als de echtgenoot of andere levensgezel van erflaatster. Evenmin komt de legitieme portie ten laste van alleen Y. Indien juist is dat erflaatster en Y op hetzelfde adres stonden ingeschreven, betekent dat niet dat daarmee vaststaat dat er sprake was van een gemeenschappelijke huishouding, waaronder een gemeenschappelijke draagplicht voor huishoudelijke kosten. Daarover hebben X c.s. niets gesteld. Tot slot is er geen notariële samenlevingsovereenkomst, zodat artikel 4:82 BW niet van toepassing kan zijn. De legitieme portie is dan ook opeisbaar, aldus de advocaat van Z.

Het hof overweegt als volgt. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat het testamentaire bewind een bewind is ex artikel 4:153 BW. Dit bewind verhindert de opeisbaarheid van de legitieme portie waarop Z, die door erflaatster is onterfd, aanspraak maakt, niet.

Indien erflaatster had beoogd dat de legitieme porties waarop haar onterfde kinderen eventueel aanspraak zouden kunnen maken, eerst opeisbaar zouden zijn na het overlijden van Y, dan had zij dat in het testament moeten laten opnemen. Nu dat niet het geval is, faalt het betoog van X c.s. Voor een uitleg van artikel 4:82 BW zoals door X c.s. bedoeld , is geen plaats. Y voldoet op geen enkele wijze aan de in voornoemd artikel gestelde voorwaarden en voor analoge toepassing van deze bepaling is onvoldoende gesteld. De grief faalt dan ook.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u vragen over de verdeling van een erfenis, over een testament, over een testamentair bewind of over een onterving, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfrecht op 020-3980150.