Van onze advocaat erfrecht. De Rechtbank Den Haag heeft op 19 juli 2017 uitspraak gedaan over de rechtsgeldigheid van een concept-testament en de verdere afwikkeling van een nalatenschap.

De advocaat van A vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de verklaring voor recht dat het door de notaris omstreeks 30 maart 2015 opgestelde concept-testament dient te worden gelijkgesteld met een officieel, notarieel, verleden testament en de verklaring voor recht dat A als enig testamentair erfgenaam in de nalatenschap van X dient te worden aangemerkt.

De advocaat van A legt aan zijn vordering ten grondslag dat er voldoende aanleiding is om het vormvoorschrift, dat testamenten bij notariële akten dienen te worden gemaakt, opzij te zetten. Er is immers geen twijfel dat het concept-testament waarin A wordt aangewezen als zijn enig erfgenaam, in overeenstemming is met de laatste wil van X, zodat aan dit concept-testament rechtskracht moet worden toegekend. Ook op grond van de redelijkheid en billijkheid dient de rechtbank tot dit oordeel te komen.

De advocaat van B vordert, indien de vordering van A tot het verkrijgen van een verklaring voor recht wordt afgewezen, samengevat de veroordeling van A tot betaling van het door hem ten onrechte van de bankrekening opgenomen bedrag van € 14.336,69, vermeerderd met de wettelijke handelsrente en de afgifte en levering van de gehele inboedel en persoonlijke spullen en bezittingen die aanwezig waren op 15 april 2016 in de woning van X.

De advocaat van B legt aan haar vordering ten grondslag dat A de bankrekening tot 24 juni 2016 heeft beheerd en dat de afschrijvingen van deze rekening tot een bedrag van € 14.336,69 twijfelachtig zijn. Voor wat betreft de inboedel stelt zij dat A de woning heeft leeggehaald en spullen van X heeft opgeslagen in zijn schuur. Zij verwijst hiervoor naar een facebook-conversatie waaruit dit zou blijken.

Partijen voeren over en weer verweer. Op hun stellingen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

Het rechtsgeldig opstellen van een testament

Uiterste willen kunnen in Nederland alleen worden opgemaakt bij een notariële akte of bij een aan een notaris in bewaring gegeven onderhandse akte. In het eerste geval tekent de erflater de uiterste wil bij de notaris, in het tweede geval wordt de uiterste wil door een ander dan de notaris opgesteld, dient de erflater de uiterste wil te ondertekenen en te overhandigen aan een notaris en dient de erflater bij de notaris een akte te ondertekenen waarin opgenomen dat het aan de notaris overhandigde stuk de uiterste wil bevat. In beide gevallen is derhalve een notariële akte en de handtekening van de erflater onder de uiterste wil vereist.

De notaris dient vervolgens in het Centraal Testamentenregister te registreren dat een uiterste wil is opgemaakt.

De ondertekening van het testament

Artikel 4:109 lid 1 BW bepaalt vervolgens dat een uiterste wil nietig is, indien aan de akte van uiterste wil de vereiste ondertekening door de erflater ontbreekt. Artikel 4:109 lid 2 bepaalt dat een uiterste wil die ten overstaan van een notaris moet worden gemaakt nietig is, indien de akte van uiterste wil niet door een notaris is ondertekend. Een uiterste wil, die aan een notaris in bewaring moet worden gegeven, is nietig, indien een door een notaris ondertekende akte van bewaargeving ontbreekt.

In de Parlementaire Geschiedenis is de vraag of de wet buiten noodgevallen als geldig dient te erkennen de eigenhandig door de erflater geschreven en getekende testamenten, met een duidelijk neen beantwoord. Eigenhandig door de erflater geschreven en getekende testamenten, die niet bij een notaris zijn gedeponeerd, moeten, behoudens in de wet aangegeven noodgevallen, niet worden toegelaten. In het voorlopig verslag is daaraan toegevoegd dat bij erkenning van niet bij een notaris gedeponeerde handgeschreven testamenten de daaruit voor de rechtszekerheid voortvloeiende nadelen zo ernstig zijn, dat het duidelijk is, dat de Minister terecht depot blijft verlangen, nu het Centraal Testamentregister blijkt te voldoen. Of een testament geldig verleden kan zijn, wanneer de erflater voor de tekening overlijdt, is in het ontwerp tot oplossing gebracht. De voltooiing vereist de ondertekening van de erflater of de opneming van diens verklaring, dat hij verhinderd is te ondertekenen.

X heeft op 27 maart 2015 aan de notaris verteld dat hij A als zijn erfgenaam wilde aanwijzen en hij heeft dit op 7 april 2015 herhaald. Hij heeft echter geen akte bij de notaris ondertekend, noch heeft hij een onderhandse akte, waarin opgenomen zijn uiterste wil, ondertekend en dit document volgens de wettelijke vereisten aan een notaris overhandigd. Niet is gesteld of anderszins gebleken dat X niet in staat was te ondertekenen.

Dit betekent dat aan de voor het opmaken van een uiterste wil geldende wettelijke vereisten niet is voldaan. Niet alleen ontbreekt een handtekening, er is evenmin sprake van een gepasseerde notariële akte. A beschikt alleen over een conceptakte en een brief van de notaris die schrijft dat hij het concept voor de notariële akte heeft opgesteld in overeenstemming met wat hij begrijpt dat de wens van X was. Tot het passeren van de akte en het daarbij ondertekenen van deze akte door X en door de notaris is het nooit gekomen.

Hierdoor heeft dit concept geen definitief karakter gekregen en kan dit niet als een rechtsgeldige uiterste wil van X worden aangemerkt. Het beroep van A op de redelijkheid en billijkheid wijst de rechtbank af.

Gelet op de duidelijke wettelijke bepalingen en de toelichting daarop in de wetsgeschiedenis, waarin onder meer naar de rechtszekerheid wordt verwezen, rechtvaardigen de door A gestelde omstandigheden niet een afwijking van de vormvereisten voor het opstellen van een rechtsgeldige uiterste wil. De vordering tot het verkrijgen van een verklaring voor recht dient dan ook te worden afgewezen.

De verdere afwikkeling van de nalatenschap

Tussen partijen is niet in geschil dat A, na het overlijden van X, toegang heeft gehouden tot de bankrekening, de begrafenis heeft verzorgd en de huurwoning van X heeft ontruimd. Hij heeft dit gedaan in de veronderstelling dat hij als erfgenaam van X gerechtigd was tot diens bezittingen. Thans is komen vast te staan dat niet A maar B erfgename is van X. Dit doet echter niet af aan de omstandigheid dat A het vermogen van X gedurende een periode van ruim een jaar heeft beheerd. Derhalve moet worden beoordeeld of de uitgaven die A voor en namens de boedel heeft gedaan, aan de boedel ten goede zijn gekomen. De omstandigheid dat A meende erfgenaam te zijn, maakt dit oordeel niet anders. Hij wist immers dat er geen getekend testament was en hij is op zoek gegaan naar familieleden van X. Hij had zich dan ook moeten realiseren dat de gelden van X hem mogelijk niet toekwamen en dat hij alleen uitgaven van de bankrekening kon doen, die hij later als uitgaven ten behoeve van de boedel zou kunnen verantwoorden.

Uit de door B overgelegde overzichten van de fluctuaties op de bankrekening blijkt dat naast onverklaarbare onttrekkingen tot een bedrag van € 14.336,69 ook een onverklaarbaar bedrag van € 3.360 op deze rekening is gestort. Hieruit volgt dat per saldo slechts een onverklaarbaar bedrag van € 10.976,69 resteert.

A voert aan dat hij in totaal een bedrag van € 5.000 heeft opgenomen van de bankrekening voor het betalen van de begrafenis van X. Met dit bedrag heeft hij onder meer een rekening betaald van € 4.450 van de begrafenisondernemer, aldus A. Deze, ongespecificeerde, rekening is in het geding gebracht. A heeft tevens een kwitantie overgelegd, waaruit volgt dat het bedrag van € 4.450 aan de begrafenisondernemer is betaald. De rechtbank ziet in de hoogte van de rekening en in de omstandigheid dat deze niet is gespecificeerd, tegenover de rekening en de kwitantie, geen aanleiding om te concluderen dat A deze kosten niet heeft gemaakt. In de eerste plaats komt het bedrag de rechtbank voor een begrafenis niet onredelijk hoog voor. Voorts heeft A van het in de rekening opgenomen bedrag een gedeelte groot € 2.000 verantwoord. Hij heeft een document overgelegd waaruit volgt dat hij voor X een grafrecht voor 15 jaar heeft gekocht op de Islamitische begraafplaats. Uit een eveneens overgelegde prijsopgave volgt dat A hiervoor een bedrag van € 977 heeft betaald en dat hij verder nog kosten heeft gemaakt tot een bedrag van € 937 voor het begraven en 86 voor een naambordje. Wel wijst de rechtbank de stellingen van A te aanzien van het meerdere, boven het bedrag van € 4.450, af, nu hij dit verweer niet met stukken nader heeft onderbouwd, zodat het onvoldoende is toegelicht.

A voert voorts aan dat hij een bedrag van € 3.800 heeft aangewend in het kader van het leegruimen en opleveren van de huurwoning van X.

B had, als erfgenaam, er belang bij dat de huur voor de woning van X werd beëindigd, omdat daarmee ook de verplichting tot het betalen van huur werd beëindigd. De ontruiming en het vervolgens opknappen van de woning door A zijn derhalve in het belang van B geweest. De rechtbank is van oordeel dat een bedrag van € 2.000 voor het ontruimen van de woning en het opknappen van de woning zodat deze in een staat kwam te verkeren dat deze kon worden overgedragen aan de woningbouwvereniging, niet bovenmatig is. Dit is het bedrag dat A tijdens de comparitie van partijen heeft genoemd. Het is dan ook terecht dat A dit bedrag van de bankrekening heeft opgenomen. Voor zover A tijdens de comparitie van partijen heeft bedoeld te stellen dat het bedrag van € 2.000 alleen materialen betrof en dat hij verder ook nog vele uren werk in het huis heeft gestoken, waarvoor hij aan zichzelf een vergoeding heeft betaald, wijst de rechtbank deze stellingen af, nu hij zijn verweer op dit punt niet met stukken heeft onderbouwd, zodat dit evenmin voldoende is toegelicht.

Gelet op dit een en ander is de rechtbank van oordeel dat A van de uitgaven een bedrag van € 6.450 heeft verklaard. Dit betekent dat een onverklaard bedrag van afgerond € 4.526 resteert. Dit bedrag zal A aan de boedel moeten terugbetalen.

Tegen de door B gevorderde rente heeft A geen verweer gevoerd. Nu zich hiertegen ook overigens niets verzet, zal de rechtbank ook dit gedeelte van de vordering van B toewijzen. Daarbij zal de rechtbank de wettelijke rente toewijzen, nu aan de vereisten voor het toewijzen van handelsrente niet is voldaan.

B heeft ook nog de afgifte van de inboedel gevorderd. Hiertegenover heeft A aangevoerd dat hij een deel van de inboedel van X aan de kringloop heeft gegeven en de rest aan de straat heeft gezet. Dat de inboedel van X weinig waarde had, is aannemelijk nu A, onweersproken door B, heeft gesteld dat X financieel krap zat en pas door de ontvangst van het voorschot van de schadevergoeding enige financiële ruimte kreeg en schulden kon betalen. Ook de stelling van B dat X in 2009, na een schuldsaneringstraject, weer schuldenvrij was, maakt aannemelijk dat X geen inboedel van waarde bezat. Aan de verwijzing van B naar een facebook-correspondentie gaat de rechtbank voorbij, nu A onweersproken heeft gesteld dat niet hij, maar een familielid van hem deze correspondentie heeft gevoerd.

Gelet op dit een en ander had het op de weg van B gelegen haar stellingen dat A nog over de inboedel beschikt nader toe te lichten. Nu zij dit niet heeft gedaan, wijst de rechtbank haar vordering op dit punt, als onvoldoende toegelicht, af.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u vragen over het opstellen van een testament, de vormvereisten van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, belt u dan gerust met onze advocaat erfrecht op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis? Bezoek dan onze pagina over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.