Het Gerechtshof Den Haag heeft op 3 maart 2020 uitspraak gedaan over een vordering van een onterfd kind tegen de overige erfgenamen in verband met het moederlijk erfdeel en de legitieme uit de nalatenschap van vader.

Waren de erfgenamen aansprakelijkheid naar evenredigheid met betrekking tot het moederlijk erfdeel als de legitieme uit de nalatenschap van vader?

Dochter een gevorderd dat Dochter twee bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, worden veroordeeld aan haar te betalen een bedrag van (€ 37.674,23 minus € 15.000,- =) € 22.674,23 (moederlijk erfdeel) en van € 10.904,96 (legitieme portie).

Dochter een heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat, gezien de zuivere aanvaarding van de nalatenschap door Dochter twee, de gevorderde bedragen opeisbaar zijn geworden en verhaalbaar zijn op het nalatenschapsvermogen alsmede de privévermogens van Dochter twee.

Dochter twee en de overige erfgenamen hebben verweer gevoerd.

Zij hebben zich op het standpunt gesteld dat het op dit moment niet mogelijk is om tot volledige uitbetaling van het resterende moederlijk erfdeel en tot betaling van de – qua hoogte niet betwiste – legitieme portie van Dochter een over te gaan, omdat een deel van het geld uit de nalatenschap vast zit in de door erflater aan verstrekte hypothecaire geldlening die pas op 1 februari 2031 eindigt.

Volgens Dochter twee strookt het niet met het uitgangspunt dat erfgenamen op gelijke wijze moeten worden behandeld, om uitsluitend aan Dochter een het volledige erfdeel uit te keren.

Legitieme. Zuivere aanvaarding. Vordering van onterfd kind tegen erfgenamen over moederlijk erfdeel en legitieme uit nalatenschap vader. Redelijkheid en billijkheid.

De rechter oordeelt als volgt.

In haar grief betoogt Dochter een voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat toewijzing van haar vorderingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, omdat de rechtbank zou hebben miskend dat de redelijkheid en billijkheid terughoudend moet worden toegepast en daarbij uit het oog heeft verloren dat (1) Dochter twee de nalatenschap zuiver hebben aanvaard en deze keuze onherroepelijk is, en (2) Dochter twee de gevolgen van deze zuivere aanvaarding heeft kunnen overzien.

Bij de beoordeling van deze grief neemt het hof tot uitgangspunt dat, als gevolg van de zuivere aanvaarding van de nalatenschap door Dochter twee op grond van artikel 4:184 lid 2 sub a BW de op Dochter twee rustende schulden van de nalatenschap, waartoe ook de vorderingen van Dochter een behoort, op hun eigen vermogens kunnen worden verhaald.

Met het overlijden van de (groot)vader van partijen zijn de vorderingen van Dochter een opeisbaar geworden, hetgeen betekent dat Dochter twee in beginsel gehouden zijn deze vorderingen te voldoen.

Dat zou slechts anders kunnen zijn, indien, voor zover thans van belang, de toepassing van het door Dochter een krachtens artikel 4:184 lid 2 sub a BW ingeroepen recht, in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Bij de beoordeling van de vraag of de redelijkheid en billijkheid in de weg staat aan toewijzing van de op artikel 4:184 lid 2 sub a BW gebaseerde vorderingen van Dochter een, acht het hof van belang dat Dochter twee de nalatenschap zuiver heeft aanvaard, terwijl zij bekend was, althans – gelet op de rol van de notaris bij de aanvaarding van de nalatenschap en bij het opmaken van de akte van verdeling – geacht kon worden bekend te zijn met de voorwaarden voor opeisbaarheid van de vorderingen van Dochter een evenals met de einddatum van de door erflater verstrekte geldlening.

Hieruit volgt dat Dochter twee rekening ermee heeft moeten houden dat zij, als gevolg van de zuivere aanvaarding van de nalatenschap, door Dochter een aangesproken zouden worden voor haar vorderingen uit hoofde van het moederlijk erfdeel en de legitieme portie, terwijl een substantieel deel van het nagelaten vermogen van de erflater pas bij het einde van de geldleningsovereenkomst op 1 februari 2031 beschikbaar zou zijn.

Gelet op de restrictieve toepassing van de redelijkheid en billijkheid, en rekening houdend met de hiervoor genoemde omstandigheden, is het hof van oordeel dat de onderhavige vorderingen van Dochter een niet kunnen worden afgewezen met een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.

Hieraan doet niet af dat toewijzing van de vorderingen van Dochter een in strijd zou zijn met het door Dochter twee aangevoerde en door de rechtbank in haar oordeel betrokken ‘uitgangspunt dat erfgenamen op gelijk wijze moeten worden behandeld’, nog daargelaten of dit uitgangspunt steun vindt in het recht.

In dat verband merkt het hof op dat erflater in zijn testament juist geen gelijke behandeling voor ogen heeft gehad, gelet op de onterving van Dochter een.

Aan vorenbedoeld oordeel doet evenmin af de stelling van Dochter twee dat zij niet over voldoende liquide middelen beschikken om de vorderingen van Dochter een te voldoen, aangezien zij de nalatenschap zuiver hebben aanvaard.

Het voorgaande betekent dat de grief van Dochter een met betrekking tot de toepassing van de redelijkheid en billijkheid slaagt.

Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen en de vorderingen van Dochter een met betrekking tot het moederlijk erfdeel en de legitieme portie alsnog toewijzen.

Het hof overweegt voorts als volgt.

Op grond van artikel 4:182 lid 2 BW geldt, dat bij een deelbare prestatie een erfgenaam voor een schuld van de erflater – in dit geval het moederlijk erfdeel van Dochter een – slechts verbonden is voor het deel dat evenredig is aan zijn erfdeel.

De vordering tot hoofdelijke veroordeling van Dochter twee met betrekking tot deze schuld is dus niet op de wet gegrond.

De vordering ter zake van de legitieme portie van Dochter een betreft weliswaar geen schuld van de erflater maar een schuld van de nalatenschap, maar naar het oordeel van het hof dient hiervoor eveneens de maatstaf van aansprakelijkheid naar evenredigheid van de erfdelen van de erfgenamen te gelden, temeer nu deze maatstaf ook jegens legatarissen geldt (artikel 4:117 lid 3 BW).

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over de gevolgen van zuivere aanvaarding van een erfenis, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.