Van onze advocaat verdeling erfenis. De Rechtbank Limburg heeft op 21 februari 2018 uitspraak gedaan over een koopovereenkomst van onroerend goed, die in strijd was met testamentair beperkt vervreemdingsverbod.

Indien komt vast te staan dat met de twee perceelaanduidingen telkens de veldwei is bedoeld, heeft, met inachtneming van de hierna volgende punten (i) en (ii), het volgende te gelden.

(i) Nu niet anders is gesteld of gebleken moet het ervoor worden gehouden dat eiseres ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst van de veldwei niet wist of had kunnen weten dat gedaagde de veldwei had verkregen met de daarop rustende verplichting.

(ii) De verplichting valt niet binnen het bereik van art. 4:45 lid 2 BW noch is de verplichting in strijd met enig ander wetsartikel.

Koopovereenkomst onroerend goed in strijd met testamentair beperkt vervreemdingsverbod? Schadeberekening.

De rechter oordeelt als volgt.

Het recht kent niet de regel dat een koopovereenkomst als de onderhavige, waarbij in elk geval de koper wist noch behoorde te weten dat op de veldwei een verplichting rustte en/of dat de veldwei door de verkoper was verkregen onder een last als de onderhavige verplichting, kan worden vernietigd omdat die overeenkomst in strijd met die verplichting/last is gesloten.

Het bestaan van de onderhavige testamentaire verplichting rustend op gedaagde, tast dan ook de geldigheid van de obligatoire koopovereenkomst tussen gedaagde en eiseres niet aan.

Dit betekent dat de bij de brief van 21 april 2017 ingeroepen vernietiging geen doel treft.

Dit betekent dat de tussen partijen gesloten koopovereenkomst, die eiseres niet tot eigenaar maakt maar slechts een titel vormt voor een eventuele levering, nog steeds van kracht is.

De rechtbank kan, gelet op dit oordeel, in het midden laten dat in de brief van 21 april 2017 geen voldoende duidelijk omschreven grondslag voor de ingeroepen vernietiging is te vinden.

De verplichting levert wel op een beperking van de beschikkingsbevoegdheid van gedaagde.

De verplichting vormt immers een testamentaire last in de zin van art. 4:131 BW, die maakt dat gedaagde, kort gezegd, niet aan eiseres mag leveren.

Nu nog niet tot levering is overgegaan terwijl eiseres inmiddels wel op de hoogte is van de testamentaire last, kan eiseres niet met succes tegenwerpen dat de verplichting niet is ingeschreven in enig register. Voordat tot levering is overgegaan, heeft zij immers weet van de verplichting.

Die kennis omtrent de beperkte beschikkingsonbevoegdheid van gedaagde voorkomt dat zij nog te goeder trouw gedaagde tot levering kan dwingen.

De verplichting als testamentaire last staat eraan in de weg dat haar vordering tot schadevergoeding in natura kan worden toegewezen.

Daarmee zou immers feitelijk afbreuk worden gedaan aan de testamentaire last.

Dit betekent dat de vorderingen moeten worden afgewezen.

Voor alle duidelijkheid merkt de rechtbank nog op dat zij de subsidiaire vorderingen als een “twee-eenheid” beziet.

De stelling van eiseres dat gedaagde de rechter kan verzoeken om de last op te heffen op de voet van art. 4:134 BW behoeft geen behandeling omdat haar vordering zich daartoe niet uitstrekt.

Eiseres heeft door R Taxatie & Advies een berekening laten maken van de schade die zij lijdt indien de koopovereenkomst niet wordt nagekomen.

Die schadeberekening heeft zij overgelegd bij haar akte van 27 september 2017. R vermeldt dat eiseres na de verkrijging van de veldwei die had kunnen samenvoegen met het buurperceel waarvan zij reeds eigenaar is. Door die samenvoeging zou één groot perceel ontstaan van in totaal 82 a 89 ca. Een dergelijke vergroting zou een toegevoegde waarde kunnen creëren van € 0,88 m2 x 5.415 m2 = € 4.765,20.

De inkomensschade die eiseres lijdt omdat zij niet kan beschikken over de veldwei bedraagt volgens R en berekend over 10 jaar € 4.360,80. Hij heeft hierbij rekening gehouden met de rente die eiseres nu geniet op de koopsom, die zij immers niet betaalt, en met het feit dat zij nu geen reconstructiekosten voor de erfgrens maakt. In totaal bedraagt de schade € 9.126,- te vermeerderen met de kosten van R voor de berekening van de schade ad € 754,82.

Gedaagde voert ter zake deze schade alleen aan dat de berekening uitgaat van een onjuist uitgangspunt. De beoogde maar niet gerealiseerde winst wegens de perceelvergroting is volgens hem geen te vergoeden schade. Er kan verder volgens hem niet van gederfde inkomsten worden gesproken omdat eiseres nooit inkomsten heeft gehad uit de veldwei.

Gedaagde ziet bij dit alles over het hoofd dat de schade is berekend vanuit het rechtens juiste uitgangspunt dat gedaagde die schade dient te vergoeden die eiseres nu lijdt en gaat lijden omdat zij het door haar gekochte stuk grond niet in eigendom verkrijgt.

Bij een dergelijke berekening moet worden berekend welke winst en welk inkomen eiseres had kunnen verkrijgen indien gedaagde de koopovereenkomst zou zijn nagekomen en eiseres eigenaresse van de veldwei zou zijn geworden. Daarmee faalt het verweer omtrent de hoogte van de schade van gedaagde.

Indien dus komt vast te staan dat de door eiseres gekochte veldwei is belast met de verplichting, ligt de vordering tot betaling van een schadevergoeding van € 9.126,- te vermeerderen met de kosten die R heeft gemaakt, voor toewijzing gereed. Wat die kosten van R betreft, heeft gedaagde terecht aangevoerd dat daarvoor op dit moment elk bewijs ontbreekt. De rechtbank zal eiseres in staat stellen om over te leggen de betreffende factuur van R en het bewijs waaruit blijkt dat zij die factuur heeft betaald.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament, over een beding in een testament, over een vervreemdingsverbod of over de verkoop en waardering van onroerend goed in een nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.