Van onze advocaat verdeling erfenis. Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 13 februari 2018 uitspraak gedaan over de vraag of door het gedrag van de erfgenamen sprake was van een zuivere aanvaarding van de nalatenschap.

De vraag die thans beantwoord moet worden is of appellanten c.s. de nalatenschap van erflater beneficiair dan wel zuiver aanvaard hebben, zoals zij in de grief hebben gesteld, teneinde te kunnen vaststellen op welke wijze de nalatenschap van erflater dient te worden afgewikkeld, en de nog niet afgedane vorderingen te kunnen beoordelen.

Zuivere of beneficiaire aanvaarding? Gedrag als van een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam? Opgewekt vertrouwen door executeur?

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Vaststaat dat appellanten c.s. krachtens een beschikking van de kantonrechter te Rotterdam uiteindelijk tot 17 februari 2005 de tijd hebben gekregen om een keuze te maken de nalatenschap van erflater te aanvaarden of te verwerpen.

Vast staat ook dat appellanten c.s. vervolgens een – in een akte beneficiaire aanvaarding van 4 februari 2005 neergelegde – verklaring hebben afgelegd dat zij de nalatenschap niet anders aanvaarden dan onder het voorrecht van boedelbeschrijving, welke verklaring op 15 februari 2005 in het boedelregister is ingeschreven.

Daarmee hebben appellanten c.s., overeenkomstig de voorschriften van artikel 4:191, lid 1, BW een keuze gemaakt voor beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap.

De stelplicht en bewijslast van de stelling van geïntimeerde, dat appellanten c.s. reeds voordien de nalatenschap feitelijk zuiver hebben aanvaard, appellanten op grond van artikel 150 Rv bij geïntimeerde.

Geïntimeerde verwijst thans in haar memorie na verwijzing ter onderbouwing van deze stelling naar hetgeen zij heeft aangevoerd dat appellanten c.s. door hun gedragingen reeds voor het afleggen van de verklaring houdende beneficiaire aanvaarding zuiver hadden aanvaard.

Het hof stelt vast dat de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 20 maart 2012 tussen dezelfde partijen is gewezen als de partijen in de onderhavige procedure.

In beide procedures gaat het om de vraag of de beneficiaire aanvaarding door appellanten c.s. is vervallen, althans rechtens geen effect heeft of betekenis heeft gehad, omdat appellanten c.s. zich hebben gedragen als zuiver aanvaard hebbende erfgenamen in de zin van artikel 4:192, lid 1, BW.

Dit betreft derhalve dezelfde rechtsbetrekking. Dit betekent dat de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 20 maart 2012 tussen partijen bindende kracht heeft en de vraag naar de zuivere of beneficiaire aanvaarding niet opnieuw in deze procedure door geïntimeerde aan de orde kan – en kon – worden gesteld. Daarbij doet niet ter zake dat de procedures andere vorderingen betreffen.

Hetzelfde geldt voor de stelling van geïntimeerde dat in de procedure bij de rechtbank Rotterdam die heeft geleid tot de beschikking van 20 maart 2012, hetgeen gevolgen heeft voor de bewijspositie.

Geïntimeerde heeft zich subsidiair beroepen op artikel 4:202, lid 1 onder a, BW en daartoe gesteld dat appellant in zijn hoedanigheid van executeur na 15 februari 2005 het vertrouwen heeft gewekt dat de nalatenschap voldoende baten had om alle schulden te voldoen en om die reden kon aanblijven als executeur, en er geen sprake was van een vereffening volgens de regels van Afdeling 3 van Titel 6 van Boek 4 BW.

Voor zover een vereffeningsplicht moet worden aangenomen dan kan deze vereffening in ieder geval niet met terugwerkende kracht intreden, zodat achteraf niet kan worden gesteld dat de executie door X eind 2008 niet had mogen plaatsvinden, aldus geïntimeerde.

Appellanten c.s. stellen dat het hof Den Haag hierover in het arrest van 26 januari 2010 reeds heeft geoordeeld, waartegen geïntimeerde geen cassatie heeft ingesteld. Voorts betwisten zij dat appellant het vertrouwen heeft gewekt dat de vereffeningsprocedure niet gevolgd diende te worden.

Het hof Den Haag heeft bij arrest van 26 januari 2010 in overweging 10 geoordeeld :

(…) Beneficiaire aanvaarding verplicht in beginsel tot een vereffening op de wijze als voorgeschreven door artikel 4:202 e.v. BW. Op grond van artikel 4:202 BW kan de formele vereffening slechts in drie gevallen achterwege blijven. De in de wet genoemde uitzonderingen doen zich in het onderhavige geval niet voor. De nalatenschap van erflater dient derhalve conform de bepalingen van artikel 4:202 e.v. BW te worden vereffend (…).

Geïntimeerde heeft in incidenteel cassatieberoep betoogd dat het hof bij de beoordeling van de vraag of beneficiair dan wel zuiver is aanvaard ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten het verweer van geïntimeerde dat de feiten en omstandigheden met zich brengen dat aan de beneficiaire aanvaarding geen betekenis is te hechten, gelet op onder meer de door de vereffenaar reeds erkende zuivere aanvaardingshandelingen door de erfgenamen in welk verband een beroep is gedaan op het bepaalde in artikel 4:192, lid 1 BW.

In de toelichting bij deze klacht is geïntimeerde ingegaan op haar primaire verweer dat artikel 4:192 van toepassing is. Geïntimeerde klaagt in cassatie echter niet over, en gaat op geen enkele wijze in op, het hiervoor weergegeven oordeel van het hof Den Haag betreffende artikel 4:202 BW.

Het hof concludeert dan ook dat het arrest van het hof Den Haag van 26 januari 2010, voor zover daarin is geoordeeld dat de in artikel 4:202 BW genoemde uitzonderingen zich in het onderhavige geval niet voordoen, kracht van gewijsde heeft gekregen en in de procedure na verwijzing niet meer aan de orde kan worden gesteld.

Ten aanzien van de stelling van geïntimeerde dat sprake is van door appellant opgewekt vertrouwen, overweegt het hof dat de handelingen van appellant als executeur, die geïntimeerde aan de orde stelt, niet voldoende zijn om te kunnen leiden tot de toepasselijkheid van de uitzondering als bedoeld in artikel 4:202, lid 1, onder a BW.

Aan een gerechtvaardigde verwachting die tot enig rechtsgevolg zou hebben kunnen leiden in de door geïntimeerde voorgestane zin (het artikel zelf kent het vereiste dat de executeur heeft aangetoond dat de goederen der nalatenschap ruimschoots toereikend zijn om alle schulden der nalatenschap te voldoen) zou eerst kunnen zijn voldaan, indien de executeur zich (desgevraagd) expliciet in deze zin jegens rechthebbenden zou hebben uitgelaten en daarmee de gerechtvaardigde verwachting zou hebben gewekt de nalatenschap in afwijking van die hoofdregel (expliciet) te hebben kunnen en willen verbinden.

Nu dat niet is gesteld of gebleken verwerpt het hof ook het verweer van geïntimeerde.

De conclusie is dat de nalatenschap vereffend dient te worden op grond van de bepalingen van Titel 6, Afdeling 3 van Boek 4 BW.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over de legitieme of over het kindsdeel, over het verschil tussen zuivere en beneficiaire aanvaarding of over de taken en bevoegdheden van een executeur, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.