Van onze advocaat kindsdeel. Het Gerechtshof Amsterdam heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de vraag of een erfgenaam alsnog zekerheidsstelling voor het erfdeel kon verlangen, ook na het verloop van de termijn in het testament?

Het gaat, samengevat weergegeven, in deze zaak om het volgende. In 2006 is erflater overleden. De moeder was de echtgenote van erflater. Uit het huwelijk van erflater en de moeder zijn drie kinderen geboren, de dochter en twee zoons.

Erflater heeft bij uiterste wilsbeschikking van 12 januari 1976 (hierna ook: het testament) zijn erfgenamen bij versterf tot enig erfgenamen benoemd en op de voet van het destijds geldende artikel 1167 (oud) BW een ouderlijke boedelverdeling gemaakt waarbij hij aan zijn echtgenote alle tot zijn nalatenschap toebehorende baten heeft toegedeeld en aan zijn overige erfgenamen een vordering ten laste van haar wegens overbedeling.

In zijn testament heeft erflater verder, voor zover van belang, het volgende bepaald:

“Mede ter voldoening aan mijn morele verplichting, mijn echtgenote na mijn overlijden zo goed mogelijk verzorgd achter te laten bepaal ik, dat de vorderingen uit hoofde van overbedeling (…) eerst opeisbaar zullen zijn bij overlijden van mijn echtgenote, wanneer zij onder curatele mocht worden gesteld, in staat van faillissement mocht worden verklaard, of surseance van betaling mocht aanvragen, of weigeren mocht de onder VI. bedoelde zekerheid te stellen (…)

Mijn erfgenamen zijn verplicht om binnen drie maanden na mijn overlijden de boedelverdeling met bijbehorende rechten en verplichtingen schriftelijk te bekrachtigen en om binnen een jaar na mijn overlijden een notariële akte te doen verlijden, waarbij de waarde bij mijn overlijden van ieders erfdeel uit mijn nalatenschap zal worden vastgesteld en de boedelverdeling met bijbehorende rechten en verplichtingen door de erfgenamen voor zoveel nodig zal worden geëffectueerd.

Mijn genoemde echtgenote zal verplicht zijn bij laatstbedoelde akte zekerheid te stellen voor de betaling van de uit overbedeling aan mijn overige erfgenamen verschuldigde hoofdsommen, zulks naar redelijkheid en billijkheid voor beide partijen. De omvang van de te stellen zekerheid, alsmede de aard daarvan zal in onderling overleg worden vastgesteld, tenzij een of meer mijner erfgenamen, minderjarig is of niet het vrije beheer over zijn goederen bezit, in welk geval, alsmede bij gebreke van overeenstemming te dezer zake, die aard en omvang zal worden bepaald door de Kantonrechter, in wiens kanton mijn nalatenschap is opengevallen.

Uitdrukkelijk bepaal ik, dat diegenen mijner nakomelingen die weigeren de bij deze akte door mij gemaakte beschikkingen binnen drie maanden na mijn overlijden schriftelijk te bekrachtigen, deze beschikkingen op welke grond of in welke kwaliteit ook geheel of gedeeltelijk betwisten en daartoe een rechtsvordering aanhangig maken of de gehele of gedeeltelijke nietigheid daarvan inroepen, in de legitieme worden gesteld (…).

(…) ik richt aan mijn kinderen (…) het uitdrukkelijk verzoek om (…) mijn beschikkingen (…) zoveel mogelijk te eerbiedigen, althans zodanige maatregelen te treffen dat mijn echtgenote zoveel mogelijk in het genot blijft van alle tot mijn nalatenschap behorende zaken, zonder verplicht te zijn de erfdelen en/of vorderingen van mijn kinderen (…) tijdens haar leven aan hen uit te keren, waartoe ik bepaal, dat elke uitkering die mijn echtgenote moet doen voorzoveel mogelijk dient te worden getemporiseerd op de wijze als hiervoor ten aanzien van de vorderingen uit hoofde van overbedeling is bepaald.

Bij brief van 12 april 2012 heeft de dochter aan de moeder verzocht een notariële akte te doen opstellen zoals bedoeld in artikel V van het testament met daarin opgenomen de door haar verlangde zekerheidsstelling als bedoeld in artikel VI van het testament. De akte is niet opgemaakt.

In het onderhavige geding heeft de dochter voor zover thans nog van belang gevorderd dat de moeder wordt veroordeeld om zekerheid te stellen voor een bedrag van € 56.002,=. De rechtbank heeft deze vordering toegewezen in die zin dat de moeder is veroordeeld tot (medewerking aan) het vestigen van hypotheek ten behoeve van de dochter op de woning van de moeder in [plaats] voor een bedrag van € 56.002,=, welke hypotheek strekt tot zekerheid voor de vordering van de dochter op de moeder uit hoofde van overbedeling in de ouderlijke boedelverdeling door de vader, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

De moeder is met veertien grieven in hoger beroep gekomen. Het hof Den Haag heeft de eerste grief gegrond bevonden en de vordering van de dochter alsnog afgewezen. Het hof overwoog daartoe kort samengevat als volgt. Er is geen akte vaststelling van de erfdelen, zoals bedoeld in artikel V van het testament, verleden. Uit het testament vloeit voort dat de zekerheidsstelling binnen een jaar moet worden verlangd. Nu de dochter eerst op 12 april 2012 heeft gevraagd een akte te doen opstellen met daarin opgenomen de door haar verlangde zekerheidsstelling, is dit te laat. De door erflater gestelde voorwaarde kan niet meer worden vervuld en wordt ingevolge het bepaalde in artikel 4:45 BW voor niet geschreven gehouden.

Aan de bespreking van de overige grieven is het hof Den Haag niet toegekomen.

De Hoge Raad heeft het arrest van het hof Den Haag vernietigd. Hij overwoog daartoe dat het hof met de uitleg zoals samengevat weergegeven heeft miskend dat de vraag of sprake is van een onmogelijk te vervullen voorwaarde of last als bedoeld in artikel 4:45 lid 1 BW, dient te worden beoordeeld naar het tijdstip van overlijden van de erflater. Niet valt in te zien dat het op dat tijdstip onmogelijk was de in artikel V en VI van het testament genoemde akte binnen een jaar te doen verlijden. De Hoge Raad heeft vervolgens overwogen dat na verwijzing door middel van uitleg van het testament moet worden beoordeeld of, en zo ja welke, gevolgen moeten worden verbonden aan de omstandigheid dat de in artikel V genoemde termijn van een jaar is overschreden.

Kan een erfgenaam alsnog zekerheidsstelling voor zijn erfdeel verlangen, ook na verloop van de termijn genoemd in het testament? Uitleg van een testament. Verjaring? Rechtsverwerking?

De rechter oordeelt als volgt.

Bij de beoordeling van de onder 3.3 weergegeven vraag stelt de rechter voorop dat op grond van artikel 4:46 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) bij de uitleg van een uiterste wilsbeschikking dient te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt. Bij de uitleg van uiterste wilsbeschikkingen geldt als maatstaf derhalve niet de grammaticale uitleg, waarbij uitsluitend wordt nagegaan welke betekenis de in het testament opgenomen bewoordingen op zichzelf genomen hebben, maar zal steeds rekening moeten worden gehouden met de in artikel 4:46 lid 1 BW bedoelde verhoudingen en omstandigheden.

De rechtbank heeft in deze kwestie overwogen dat uit de inhoud van het testament niet valt op te maken dat op het laten verlopen van de omstreden termijn van een jaar het verlies van enig recht is gesteld.

De toelichting op de eerste grief bevat geen houvast om daarover anders te denken. Ook de bewoordingen van het testament, zowel in artikel V als in de andere artikelen waarin termijnen worden genoemd, wijzen daar niet op. De omstandigheid dat erflater voor ogen heeft gestaan om zijn echtgenote goed verzorgd achter te laten, levert in dit verband geen toereikend aanknopingspunt op.

Voor zover het te laat regelen van zekerheid een beperking voor de moeder zou hebben ingehouden, heeft te gelden dat aard en omvang van de te stellen zekerheid dienen te worden ingericht naar redelijkheid en billijkheid voor beide partijen.

Dat betekent dat moet worden geoordeeld dat naar de bedoeling van erflater zekerheidsstelling ook na ommekomst van een jaar nog tot de mogelijkheden behoorde, zij het met inachtneming van de op dat moment geldende omstandigheden.

Het voorgaande brengt mee dat aan de overschrijding van de termijn niet het gevolg kan worden verbonden dat aan artikel VI, dat samenhangt met artikel V nu de moeder bij dezelfde akte zekerheid zou moeten stellen, geen toepassing meer kan worden gegeven. De dochter als erfgenaam behoudt daarmee in beginsel de mogelijkheid zekerheid te vragen.

Voor zover de moeder verder heeft betoogd dat de dochter in de legitieme moet worden gesteld, omdat zij de beschikkingen in het testament niet binnen drie maanden na het overlijden van erflater heeft bekrachtigd, faalt de grief eveneens. Artikel VII bepaalt dat degene die weigert de beschikkingen te bekrachtigen, in de legitieme wordt gesteld. Van een weigering tot bekrachtiging is echter geen sprake.

In de volgende grief klaagt de moeder dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat de omvang van de te stellen zekerheid alsmede de aard daarvan bij gebrek aan overeenstemming zal worden bepaald door de kantonrechter.

De rechter begrijpt dat de moeder heeft willen betogen dat de rechtbank de zaak had moeten verwijzen naar de afdeling kanton. Deze grief faalt nu ingevolge artikel 71 vijfde lid Rv tegen het uitblijven van een verwijzing van de sector civiel naar de sector kanton geen hogere voorziening open staat.

In haar derde grief betoogt de moeder dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het niet volgen van de voorgeschreven procedure in het testament eraan in de weg staat dat de dochter haar erfdeel kan opeisen, maar vervolgens ten onrechte niet heeft beslist dat het niet volgen van de procedure van het testament tot gevolg moet hebben dat de kwestie van de zekerheidsstelling niet aan de orde kan komen. De moeder acht dit oordeel innerlijk tegenstrijdig.

Naar het oordeel van de rechter kan van innerlijke tegenstrijdigheid niet worden gesproken. Het gaat hier om twee verschillende onderdelen van de making die los van elkaar gezien kunnen en moeten worden.

Het eerste onderdeel betreft de vraag of het erfdeel van de dochter opeisbaar was. De rechtbank is op de voet van artikel III van het testament tot het oordeel gekomen dat dit niet het geval was, omdat niet gezegd kon worden dat de moeder had geweigerd zekerheid te stellen.

Ter beoordeling van de vraag of de dochter zekerheid kan verlangen, dient vervolgens te worden beoordeeld of de bepalingen van het testament hieraan in de weg staan. Uit hetgeen de rechter eerder heeft overwogen, volgt dat dit niet het geval is.

De moeder voert in de volgende grief aan dat de vordering tot zekerheidsstelling is verjaard.

Door te berusten in de beschikkingen van het testament zijn voor beide partijen verplichtingen ontstaan. Er is sprake van een rechtsvordering tot een geven of een doen die vergelijkbaar is met een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst. De verjaringstermijn bedraagt vijf jaar en is niet gestuit.

De rechter overweegt als volgt.

Een testament is een eenzijdige rechtshandeling. De omstandigheid dat een testament verplichtingen oplegt aan erfgenamen, waarin zij berusten, brengt niet mee dat een verbintenis uit overeenkomst ontstaat waarop de door de moeder ingeroepen verjaringstermijn van vijf jaar van toepassing is. Nu de wet niet anders bepaalt, bedraagt ingevolge artikel 3:306 BW de verjaringstermijn 20 jaar.

De volgende grief betreft de afwijzing van het beroep op rechtsverwerking.

De moeder wijst erop dat de dochter bij herhaling heeft aangegeven dat zij de nalatenschap van erflater niet opeist. Als gevolg daarvan heeft zij bij de moeder het gerechtvaardigd vertrouwen opgewekt, dat zij haar aanspraken vóór het overlijden van moeder niet meer geldend zal maken. De moeder is bovendien door het tijdsverloop onredelijk benadeeld. De moeder is er in haar uitgavenpatroon al jaren vanuit gegaan dat zij op dezelfde voet kon blijven leven zoals zij voor het overlijden van erflater gewend was. Had zij vooraf geweten dat de dochter haar erfdeel vóór haar overlijden zou opeisen, dan was zij eerder op meer beperkte voet gaan leven. Nu kan dat niet meer, waarbij zij erop wijst dat de huizenmarkt is ingestort, zij inmiddels voor ‘zorg’ moet betalen en haar pensioen is verlaagd. Het was de bedoeling van erflater haar zo goed mogelijk verzorgd achter te laten. De toewijzing van de vordering van de dochter gaat in tegen deze bedoeling, aldus de moeder.

De dochter voert aan dat de uitlatingen waarop de moeder zich beroept, hebben plaatsgevonden voordat de dochter de inhoud van het testament kende. Bovendien is niet gebleken dat de moeder door het tijdsverloop in een nadeliger positie is komen te verkeren of niet rond zou kunnen komen van haar maandinkomen.

Om rechtsverwerking te kunnen aannemen is nodig dat de rechthebbende zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid.

Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad is enkel tijdsverloop daarvoor onvoldoende. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij de wederpartij gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de rechthebbende zijn aanspraak niet meer geldend zal maken, of waardoor de positie van de wederpartij onredelijk verzwaard of benadeeld zou worden indien het recht of de bevoegdheid alsnog geldend wordt gemaakt (vgl. HR 11 november 2016, HR:2016:2574).

De rechter is van oordeel dat de moeder onvoldoende bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd. De dochter heeft bovendien onbetwist aangevoerd dat zij haar moeder heeft laten weten haar erfdeel niet op te eisen voordat zij van de inhoud van het testament op de hoogte was. De vordering die nu ter beoordeling voorligt, heeft betrekking op het stellen van zekerheid en niet op de uitbetaling van het erfdeel.

Uit het testament volgt dat erflater heeft gewild dat de moeder zo goed mogelijk verzorgd wordt achtergelaten, met dien verstande dat zij wel zekerheid diende te stellen ten behoeve van de overige erfgenamen. In zoverre heeft de moeder, anders dan zij lijkt te veronderstellen, in redelijkheid rekening te houden met de drie kinderen. Indien partijen na een eventuele verkoop van de nu door de moeder bewoonde woning geen overeenstemming kunnen bereiken over een andere wijze van zekerheidsstelling en zich tot de rechter wenden, zal een rechter deze aspecten in zijn afweging moeten betrekken. Hetgeen de moeder in haar grief aanvoert, is onvoldoende om reeds nu te oordelen dat zij in dat geval haar beschikkingsrecht over haar vermogen verliest of dat om die reden thans geen zekerheidsstelling opgelegd kan worden.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening of verdeling van een erfenis, over het kindsdeel of over de legitieme, over zekerheidsstelling van het erfdeel, de verzorgingsbehoefte van de langstlevende echtgenoot, of over verjaring of rechtsverwerking in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.