Van onze advocaat verdeling erfenis. De Rechtbank Noord-Nederland heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de verdeling van een nalatenschap en over de toedeling en waardering van landbouwgronden.

Partijen zijn de kinderen van de erflaatster. Erflaatster heeft in haar testament haar kinderen benoemd tot haar erfgenamen, zodat partijen elk voor een/achtste deel in haar nalatenschap gerechtigd zijn.

De nalatenschap van erflaatster is, met uitzondering van de roerende zaken, tot op heden onverdeeld gebleven.

De erfgenaam vordert om bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de verdeling van de nalatenschap van erflaatster te bevelen, de wijze van verdeling in goede justitie vast te stellen op de hierna aangegeven wijze en gedaagden te veroordelen te gehengen en te gedogen dat de nalatenschap wordt verdeeld op de wijze zoals door de rechtbank zal worden vastgesteld.

Partijen zijn het erover eens dat de nalatenschap verdeeld dient te worden, alleen over de manier waarop dit dient plaats te vinden zijn zij het niet geheel eens geworden.

De rechtbank zal hierna op elk van de geschilpunten afzonderlijk ingaan, en vervolgens ingaan op de manier waarop de verdeling van de nalatenschap tot stand zal worden gebracht.

Bevel verdeling nalatenschap naar aanleiding van geschillen over de toedeling en waardering van verpachte landbouwgronden.

De rechter oordeelt als volgt.

De rechter constateert dat zowel eiser als gedaagde, beide erfgenaam, de landbouwgronden toegedeeld wensen te krijgen.

Gedaagde beroept zich in dit verband op een in het verleden door erflaatster gedane toezegging dat de drie dochters de landbouwgronden toegedeeld zouden krijgen. Ter onderbouwing hiervan verwijst zij naar een brief van 18 maart 2001 van erflaatster, die daarin onder meer heeft geschreven: “Nog even ter zake, dat land waar eiser op boert mag van mij ook onder de 3 meisjes verdeeld worden, dat heeft pa inderdaad vaak gezegd. Dan huurt eiser het van mij, tot zo lang ik er nog hoop te zijn“.

Volgens gedaagde dient de totstandkoming van het testament van erflaatster te worden onderzocht, omdat dit afwijkt van de door erflaatster gedane wilsuitdrukking, terwijl in het concept-testament van 30 december 1998 wel werd voorzien in deze toedeling.

De rechter oordeelt dat de toezegging waarop gedaagde zich beroept – wat daar verder ook van zij – kwalificeert als een overeenkomst strekkende tot beschikking over een nog niet opengevallen nalatenschap zoals bedoeld in artikel 4:4 lid 2 BW, en dus nietig is.

Gedaagde noch haar zussen kunnen hier dan ook rechten aan ontlenen. Aan de stelling van gedaagde dat het testament van erflaatster niet strookt met de eerder gedane wilsuitdrukking, zijn geen rechtsgevolgen verbonden, zodat de rechter die stelling verder onbesproken zal laten.

Omdat gedaagde geen ander belang bij toedeling heeft gesteld en eiser op zijn beurt onweersproken heeft aangevoerd dat hij als (mede-)pachter het meeste belang heeft bij toedeling van de landbouwgrond, zal de rechter bepalen dat de landbouwgrond aan hem, eiser, als erfgenaam, zal dienen te worden toegedeeld.

Daarbij zal worden bepaald dat eiser de bevoegdheid heeft om op de nader in het dictum te bepalen wijze af te zien van deze toedeling, aangezien niet is gebleken dat de overige partijen bezwaar hebben tegen het door hem gewenste financieringsvoorbehoud. Indien eiser mocht afzien van deze toedeling aan hem, zal de rechter bepalen dat in plaats daarvan de landbouwgrond verkocht dient te worden.

Partijen zijn het erover eens dat de toedeling van de landbouwgrond aan eiser tegen de waarde in verpachte staat zal geschieden en dat die waarde door een deskundige zal moeten worden getaxeerd. Over de persoon van de taxateur hebben partijen geen standpunt ingenomen, zodat de rechter zelf iemand zal aanwijzen.

Partijen verschillen van mening over de vraag in hoeverre bij de waardebepaling betrokken moet worden dat eiser in het verleden op, over en buiten de erfgrens van de landbouwgrond verschillende bouwwerken gebouwd en/of aangelegd, waaronder een buitenbak voor paarden, een manege en een paddock.

De rechter zal bepalen dat de landbouwgronden zonder deze bouwwerken moet worden getaxeerd. Hiertoe is het volgende redengevend.

Op grond van de artikelen 3:166 jo 6:2 BW dienen partijen zich, als deelgenoten in de nalatenschap, jegens elkaar overeenkomstig de eisen van de redelijkheid en billijkheid te gedragen.

Uit de overgelegde uitspraken van de pachtkamer maakt de rechtbank op dat er in het verleden is onderhandeld over de koop door eiser van de landbouwgrond, althans het gedeelte waarop de bouwwerken zijn aangebracht, en dat eiser vooruitlopend op de (door partijen verwachte: goede) afloop daarvan die onderhandelingen de bouwwerken voor zijn eigen rekening heeft aangebracht.

In het kader van de verdeling van de nalatenschap zal hij alsnog, zij het op andere titel, de eigendom van de landbouwgrond verkrijgen.

Gesteld noch gebleken is dat het feit dat er destijds geen overeenstemming is bereikt, uitsluitend aan eiser toe te rekenen is. Tegen deze achtergrond brengen de eisen van redelijkheid en billijkheid naar het oordeel van de rechter met zich, dat gedaagden zich ook in het kader van de verdeling van de nalatenschap niet kunnen beroepen op het ontbreken van toestemming voor het aanbrengen van die werken op het verpachte.

Partijen zijn het er tot slot over eens dat er een meerwaardeclausule dient te worden opgenomen in de akte van verdeling, waarbij wordt aangesloten bij de wettelijke regeling van artikel 7:384 BW en waarbij eiser de mogelijkheid heeft om de landbouwgrond in te brengen in zijn vennootschap onder firma en/of over te dragen aan zijn dochter en schoonzoon die (mede-)pachters zijn. De rechter zal dienovereenkomstig beslissen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over de verdeling en waardering van onroerend goed in een nalatenschap of over de verdeling van een erfenis door de rechter, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.