Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 25 juni 2020 uitspraak gedaan over de vraag of het testament een uitsluitingsclausule bevatte.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank bepaald, in het kader van de verdeling van de tussen partijen ontbonden huwelijksgoederengemeenschap, dat het erfdeel van de vrouw uit de nalatenschap van haar moeder aan de vrouw wordt toebedeeld, onder de verplichting van de vrouw om aan de man, zulks op het moment van het opeisbaar worden van die nalatenschap, de helft van het alsdan te ontvangen bedrag, onder aftrek van de over dat bedrag te betalen belasting, te voldoen.

Rechtsmacht

Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding de gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding (art. 3 Brussel II bis).

De echtelijke woning is in Nederland gelegen. Gelet op art. 4 lid 3 aanhef en sub a Rv komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het voortgezet gebruik van deze woning.

Ingevolge art. 4 lid 3 Rv brengt rechtsmacht in de echtscheidingszaak ook rechtsmacht met betrekking tot het verdelingsverzoek mee, ongeacht de plaats van ligging van de boedelbestanddelen.

Toepasselijk recht

Op grond van artikel 10:56 BW is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.

De rechtbank heeft ten aanzien van het verzoek ter zake van het voortgezet gebruik van de echtelijke woning Nederlands recht als haar interne recht toegepast.

De rechtbank heeft vastgesteld dat ten aanzien van de verdeling tot 2 november 2008 het recht van Duitsland van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen (op grond van het bepaalde in art. 4 lid 2 aanhef en sub 2 en onder b. van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 en dat vanaf 2 november 2008 het recht van Nederland van toepassing werd op het huwelijksvermogensregime (nu gebleken is dat zich nadien een situatie heeft voorgedaan als omschreven in art. 7 lid 2 van het Verdrag)

Daartegen zijn geen grieven gericht, zodat (zie de conclusie van AG Vlas voor HR 27 april 2012, PHR:2012:BV6684) ook het hof op het huwelijksvermogensregime van partijen tot 2 november 2008 Duits recht en vanaf 2 november 2008 Nederlands recht zal toepassen.

Ter toelichting op haar grieven brengt de vrouw het volgende naar voren.

Op de nalatenschap is Duits recht van toepassing nu de moeder van de vrouw de Duitse nationaliteit heeft, in Duitsland woonde en daar ook is overleden.

Alleen indien de vrouw zou verkrijgen uit de nalatenschap zou dit in de huwelijksgemeenschap vallen. Gelet op de inhoud van het testament was daarvan bij het overlijden van de moeder geen sprake.

Of sprake is van een rechtsgeldige uitsluitingsclausule dient te worden beoordeeld naar Duits recht.

Het testament is naar Duits recht rechtsgeldig opgemaakt.

In het testament staat opgenomen “gemeinsamen Kinder (die gemeinsamen Kinder) zu gleichen Teilen allein erben”.

Daarmee hebben de ouders en dus ook de moeder van de vrouw, en met name door het gebruik van het woord “allein” een uitsluitingsclausule opgenomen, zodat enige nalatenschap niet in enige gemeenschap valt.

De vader van de vrouw heeft een verklaring afgegeven betreffende de intentie van de ouders van de vrouw bij het opmaken van het testament.

De nalatenschap is, nu sprake is van een rechtsgeldig langstlevende testament, overgegaan in het vermogen van de vader en er is thans geen reden om aan te nemen dat de vrouw een vordering heeft op haar vader ter zake.

De vrouw verwijst naar een ‘Ausfertigung’ van 14 juni 2019 waarmee de vader de nalatenschap van de moeder heeft aanvaard.

Daarin is uitdrukkelijk opgenomen dat hij de enige erfgenaam is, middels de woorden “allein erben”.

De vrouw heeft de nalatenschap niet aanvaard, laat staan verkregen.

Zolang haar vader nog leeft, kan de vrouw geen aanspraak maken op een legitieme portie.

Het is ook niet bekend of uiteindelijk sprake zal zijn van een vordering dan wel een schuld.

De rechtbank miskent de bedoeling van de moeder bij het opmaken van het handgeschreven testament.

De ouders van de vrouw hebben destijds een gezamenlijk testament gemaakt.

De rechtbank baseert zich verder op een brief van Rechtsanwalt S, waarvan door de man geen beëdigde vertaling is overgelegd.

De rechtbank leest in deze brief dat naar Duits recht een uitsluitingsclausule naar Duits recht notarieel dient te worden opgemaakt.

Dat is volgens de vrouw niet juist, bovendien blijkt dat niet uit deze brief.

Het was de bedoeling van de ouders van de vrouw om een langstlevende- en uitsluitingsclausule in hun testament op te nemen.

Volgens de vrouw is sprake van een rechtsgeldig testament met een rechtsgeldige uitsluitings- en langstlevende clausule.

Internationaal erfrecht. Testament. Is in het testament een uitsluitingsclausule opgenomen?

De rechter overweegt als volgt.

De moeder van de vrouw is op 22 december 2016 overleden.

Op dat moment gold tussen partijen de wettelijke gemeenschap van goederen naar Nederlands recht, hetgeen tussen partijen niet in geschil is.

Ingevolge art. 1:94 BW vallen goederen die één van de echtgenoten krachtens erfrecht verkrijgt in de gemeenschap van goederen, met uitzondering van goederen waarvan bij uiterste wilsbeschikking van de erflater is bepaald dat zij buiten de gemeenschap vallen (de uitsluitingsclausule).

Dat op de erfrechtelijke verkrijging Duits recht van toepassing is, is tussen partijen niet in geschil.

Bij beantwoording van de vraag of in het door de ouders van de vrouw opgestelde testament een uitsluitingsclausule is opgenomen – zoals de vrouw stelt en de man betwist – is het volgende van belang.

Naar Duits recht kan een testament ook zonder tussenkomst van een notaris rechtsgeldig tot stand komen (“eigenhändiges testament, paragraaf 2247 Bürgerliches Gesetzbuch).

Vereist is dat het testament eigenhandig met de hand te worden geschreven en met de volledige naam te worden ondertekend.

Het door de ouders opgestelde testament voldoet aan deze vereisten.

De ouders van de vrouw hebben een “Berliner Testament” opgesteld (paragrafen 2265 en 2269 Bürgerliches Gesetzbuch).

Volgens de wet gaat na het overlijden van de eerst overledene de gehele nalatenschap over op de langstlevende echtgenoot.

De vraag die thans moet worden beantwoord is of het testament van de ouders van de vrouw een zogenaamde uitsluitingsclausule bevat, althans of het gebruik van de woorden “allein erben” in het testament van de ouders, als zodanig moet worden begrepen.

Het hof beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

Het Duits recht kent naast de Zugewinngemeinschaft ook een gemeenschap van goederen die bij “Ehevertrag” overeengekomen kan worden.

In paragraaf 1418 van het Bürgerliches Gesetzbuch is de regel opgenomen dat verkrijgingen krachtens erfrecht deel uitmaken van een (bij “Ehevertrag” overeengekomen) gemeenschap van goederen, tenzij erflater de verkrijging als “Vorbehaltsgut” heeft aangemerkt, dat wil zeggen dat de verkrijging buiten de gemeenschap zal vallen.

Het Duitse recht kent dus een wettelijke grondslag en terminologie voor een uitsluitingsclausule ten aanzien van verkrijgingen krachtens erfrecht.

Als bijlage bij het verweerschrift op het aanvullende verzoek van de man heeft de vrouw het door haar ouders opgestelde testament overgelegd.

In dit te B op 20 november 2016 door de ouders handgeschreven en door beiden ondertekende testament verklaren zij het volgende: “Unser gemeinsamer wille ist, dass wir uns gegenseitig zum alleinerben einsetzen ohne rücksicht auf pflichtteilberechtigste soll der überlebende von uns allein erben. Durch den zuletzt versterbenden wird dann verfügt das unsere gemeinsamen kinder “ [die gemeinsamen Kinder] ” zu gleichen teilen allein erben.”.

Daarnaast is eveneens bij voornoemde bijlage een verklaring van de vader van de vrouw van 2 januari 2019 overgelegd waarin deze verklaart: “Ik (…) bevestig hierbij, dat het vermogen van mijn overleden vrouw op mij als de langstlevende is overgegaan. Mijn 2 dochters hebben zolang ik niet overleden ben geen recht op en nalatenschap. Zowel ik als ook mijn overleden vrouw hebben nooit de intentie gehad om de nalatenschap in enige gemeenschap te laten vallen.”.

Naar het oordeel van het hof geeft de tekst van het testament geen aanleiding om te veronderstellen dat de moeder van de vrouw, erflaatster, de bedoeling heeft gehad de vrouw en haar zus tot enige erfgenamen te benoemen op het moment van overlijden dan wel in de periode nadien en niet ook haar echtgenoot, zoals de vrouw stelt.

Erflaatster heeft de verkrijging niet als “Vorbehaltsgut” aangemerkt zodat van een uitsluitingsclausule geen sprake is.

De bewoording “allein erben” wijst er enkel op dat de ouders de vrouw en haar zus aangewezen hebben als erfgenamen.

Dat de vader nadien over de bedoeling van zijn vrouw en hem (afwijkend) verklaart maakt dit, mede gelet op het tijdstip van deze verklaring (2 januari 2019) ook in het licht bezien van de echtscheidingsprocedure van partijen, niet anders.

Dit betekent dat het aandeel van de vrouw in de nalatenschap van haar moeder in de huwelijksgemeenschap van partijen valt.

Volgens de vrouw is thans geen sprake van een vordering op haar vader vanwege de nalatenschap van haar moeder, nu door het (langstlevende)testament de nalatenschap is overgegaan in het vermogen van de vader.

De vrouw wordt daarin, gelet op het voorgaande niet gevolgd. Wel brengt het langstlevende testament met zich dat de vordering van de vrouw uit hoofde van de nalatenschap van haar moeder pas opeisbaar is bij het overlijden van haar vader en dat de man ook dan pas aanspraak kan maken op de helft van die nalatenschap.

De vrouw heeft onder grief 5 nog aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten dat niet alleen sprake zou kunnen zijn van een vordering maar ook van een schuld. Dat sprake is van een schuld heeft de vrouw evenwel niet onderbouwd.

Vervolgens komt het hof toe aan de vraag of toepassing van art. 1:94 BW met betrekking tot de nalatenschap naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, gelet op de omstandigheid dat op de nalatenschap van de moeder van de vrouw Duits recht van toepassing is, dat op het punt van het huwelijksvermogensrecht anders luidt dan het Nederlands recht.

In dat verband is onder meer van belang of de buitenlandse erflater bedacht kon zijn geweest op de toepasselijkheid van Nederlands huwelijksvermogensrecht en de gevolgen daarvan en of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat hij niet heeft gewenst dat die zaken door huwelijk zouden komen te vallen in een gemeenschap van goederen waarin de verkrijger is gehuwd.

Voorts kan van belang zijn of de echtgenoot die voor het huwelijk krachtens erfrecht naar buitenlands recht goederen heeft verkregen, redelijkerwijs in staat is geweest om door het opmaken van huwelijkse voorwaarden te zorgen dat die goederen overeenkomstig de (veronderstelde) wil van de erflater niet door de boedelmenging in een huwelijksgemeenschap vallen.

Op de echtgenoot die zich op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid beroept, rust de stelplicht en bewijslijst van de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De enkele omstandigheid dat het op de erfrechtelijke verkrijging toepasselijke buitenlandse recht niet een algehele gemeenschap van goederen als huwelijksvermogensregime kent of tot uitgangspunt neemt, volstaat in dat verband niet (Hoge Raad, 17 februari 2017, HR:2017:276).

Naar het oordeel van het hof is van belang dat, zoals hiervoor al beschreven, ook het Duitse recht een gemeenschap van goederen kent die bij Ehevertrag overeengekomen kan worden.

Ook kent het Duits recht de mogelijkheid om als erflater de verkrijging als “Vorbehaltsgut” aan te merken zodat deze verkrijging niet in de gemeenschap van goederen zou vallen.

Dat de ouders van de vrouw niet hebben gewenst dat de verkrijging in een gemeenschap van goederen waarin de vrouw was gehuwd zou vallen blijkt niet uit het testament.

Dat de vader van de vrouw nadien anders verklaard maakt dit niet anders.

Andere feiten en omstandigheden die betekenen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de man zich op het ontbreken van een uitsluitingsclausule beroept, zijn gesteld noch gebleken.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over een uitsluitingsclausule of over het internationale erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.