De Rechtbank Oost-Brabant heeft op 10 november 2020 uitspraak gedaan over een vordering van de executeur tot de ontruiming van een woning waarvan een erfgenaam een gebruiksrecht had verkregen.

De executeur en gedaagde zijn zus en broer van elkaar.

Zij zijn samen met nog twee andere broers en nog een zus erfgenaam in de nalatenschap van hun moeder.

Bij testament is de executeur benoemd tot executeur in deze nalatenschap.

Tot de nalatenschap van de moeder behoort de woning.

Aan de erfgenamen is gevraagd of zij vóór 1 augustus 2020 willen laten weten of zij de woning willen overnemen. Geen van de erfgenamen heeft zich daartoe bereid verklaard.

Eind februari 2020 heeft de executeur geconstateerd dat gedaagde in de woning is gaan wonen

De executeur legt daaraan ten grondslag dat gedaagde sinds het overlijden van de moeder zonder recht of titel in de woning woont.

Gedaagde betaalt geen vergoeding voor zijn verblijf in de woning.

Erfrecht. Gebruiksrecht van een woning. Rechtmatig verblijf? Duurzame gemeenschappelijke huishouding? Vordering van de executeur tot ontruiming.

De rechter oordeelt als volgt.

Kern van dit kort geding is de vraag of gedaagde rechtmatig in de woning verblijft.

Gedaagde heeft zich op het standpunt gesteld dat hij bij de moeder is ingetrokken. De moeder heeft hiermee toen ook ingestemd en hiervoor het voor de gemeente benodigde formulier ondertekend.

De executeur heeft daartegenover aangevoerd dat gedaagde zonder recht of titel in de woning verblijft.

Zij beroept zich daarbij op artikel 3:169 BW waarin is bepaald dat iedere deelgenoot bevoegd is tot het gebruik van een gemeenschappelijk goed, mits dit gebruik met het recht van de overige deelgenoten te verenigen is.

De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat de executeur hiermee voorbij gaat aan het feit dat gedaagde het gebruiksrecht van de woning van de moeder heeft verkregen.

Het gebruiksrecht is door het overlijden van de moeder niet komen te vervallen.

Aan het verweer van de executeur op dit punt tegen het bestaan van het persoonlijk gebruiksrecht wordt voorbij gegaan nu zij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat aan de door gedaagde overgelegde ‘verklaring van inwoning’ geen waarde mag worden toegekend.

Nu de voorzieningenrechter van het door gedaagde verkregen gebruiksrecht uitgaat, moet het ervoor te worden gehouden dat gedaagde het recht heeft om de woning te gebruiken en derhalve thans rechtmatig in de woning verblijft.

Eerst nadat de executeur het gebruiksrecht van gedaagde heeft beëindigd, zal hij verplicht zijn de woning te ontruimen.

Ook het beroep van de executeur op artikel 4:28 BW kan haar niet baten.

Artikel 4:28 BW is hier niet van toepassing, omdat gesteld noch aannemelijk is gemaakt dat gedaagde een duurzame gemeenschappelijke huishouding met de moeder had.

Artikel 4:28 BW leidt ertoe dat in de daar genoemde gevallen de bewoning in ieder geval gedurende zes maanden na het overlijden kan worden voortgezet.

Artikel 4:28 BW leidt er niet toe dat een bewoner zijn contractuele gebruiksrecht verliest.

Het had op de weg van de executeur gelegen deze contractuele afspraak te beëindigen.

Het voorgaande leidt tot afwijzing van de vorderingen van de executeur nu daaraan de grondslag ontbreekt.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat executeur over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over gebruiksrechten in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de taken en bevoegdheden van de executeur, bezoek dan onze website over de executeur. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.