Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 16 april 2020 uitspraak gedaan over het ontslag van de executeur en de gronden daarvoor.

Het hof acht in voldoende mate aannemelijk dat betrokkene in zijn functie van executeur diverse “steken” heeft laten vallen terwijl hij volgens het testament steeds moest overleggen met de andere erfgenamen.

Transparante informatieverstrekking is gewenst en noodzakelijk.

Ernstige verstoring van de verhouding tussen de executeur en een tweetal erfgenamen. Voorts speelt ook de complexiteit van de nalatenschap een rol. De combinatie van de verstoorde verhoudingen tussen erfgenamen en het gegeven van een bijzonder gecompliceerde nalatenschap, maakt dat de beslissing van de rechtbank om betrokkene te ontslaan als executeur c.a. in de nalatenschap wegens gewichtige reden als bedoeld in art. 4:149 lid 2 BW, dient te worden bekrachtigd.

Appellanten voeren in de grief aan dat de kantonrechter een onjuist, niet op de wet gebaseerd criterium hanteert wanneer hij overweegt dat ‘de persoonlijke vertrouwensrelatie die nodig is voor een goede uitvoering van de executele, tussen executeur en twee van de erfgenamen gaandeweg is weggevallen’ en ‘een herstel van deze vertrouwensrelatie niet binnen aanvaardbare termijn is te verwachten’.

Anders dan door appellanten is aangevoerd, dient het begrip ‘gewichtige reden’ casuïstisch te worden beoordeeld: afhankelijk van de bijzonderheden van de individuele zaak kan dit begrip op verschillende manieren worden geïnterpreteerd c.q. van toepassing zijn.

Een specificatie in de vorm van een het ‘ontbreken van een persoonlijke vertrouwensrelatie tussen executeur en erfgenamen’ kan onder omstandigheden een uitwerking vormen van het begrip ‘gewichtige reden’.

Dit onderdeel van de grief faalt daarom reeds.

Erfrecht. Executeur. Ontslag van executeur. Gewichtige reden. Toetsingsnorm. Wantrouwen. Verstoorde verhouding. Complexiteit van de nalatenschap.

De rechter oordeelt als volgt.

Het hof stelt voorop dat – gelet op bovenstaande wetsbepalingen – aan een executeur die tevens (afwikkelings)bewindvoerder is, ruime bevoegdheden kunnen worden toegekend.

Een erflater kan aldus een invloedrijke executeur-afwikkelingsbewindvoerder aanstellen.

Hierbij komen de executeur-afwikkelingsbewindvoerder zowel de bevoegdheden van een executeur als die van een bewindvoerder toe.

Het is toegestaan in een uiterste wil te bepalen dat een afwikkelingsbewindvoerder naar eigen inzicht de nalatenschap kan verdelen.

De erflater wijkt dan af van art. 4:170 BW.

In de literatuur worden als tegenwicht voor deze zelfstandige verdelingsbevoegdheid diverse waarborgen als opgenomen in afdeling 7 van titel 5 van Boek 4 genoemd, zoals de boedelbeschrijving (art. 4:160), de rekening en verantwoording (art. 4:161), het ontslag wegens gewichtige redenen (art. 4:164) en bovenal de aansprakelijkheid indien in de zorg van een goed bewindvoerder verwijtbaar wordt tekortgeschoten (art. 4:163).

Dit alles naast de aan de erfgenamen toekomende wettelijke rechten zoals de dwingendrechtelijke legitieme portie

In het onderhavige geval wordt de bevoegdheid van appellant als executeur-afwikkelingsbewindvoerder – uit welke hoedanigheid hij door de kantonrechter is ontslagen – echter niet alleen beperkt door de diverse, hierboven genoemde wettelijke waarborgen, maar ook door het testament zelf.

In artikel II van het testament staat immers dat aan de erfgenamen gelijke delen toekomen, hetgeen – mede gezien de voorziening als getroffen in artikel VI – begrepen moet worden als dat ieder van de erfgenamen in ieder geval dezelfde waarde aanspraak toekomt.

Artikel IX van het testament bepaalt daarnaast – in het licht van de hiervoor belichte artikelen begrijpelijk- dat de executeur zoveel mogelijk in overleg dient te treden met de erfgenamen over de afwikkeling van de nalatenschap.

Juist ten aanzien van die communicatie en dat overleg tussen de vijf erfgenamen is ernstige wrevel ontstaan aan de kant van in eerste plaats geïntimeerde en later ook bij de erfgename.

Het hof zal een aantal belangrijke punten kort individueel benoemen.

In het verweerschrift wordt voor het eerst voor het eerst voor geïntimeerde en erfgename melding gemaakt van het bestaan van een gestelde rekening courantovereenkomst van 21 juli 2017 tussen erflater en de BV.

Deze rekening courantovereenkomst is klaarblijkelijk namens erflater getekend door diens daartoe gevolmachtigde zoon (appellant).

Appellant heeft echter (kort) na het overlijden in zijn functie als executeur geen melding gemaakt van die overeenkomst.

De verklaring dat toentertijd appellant deze overeenkomst namens erflater en namens de BV heeft getekend zonder de details na te lopen zodat hij aanvankelijk – bij aanvang van de executele – geen weet had van de inhoud althans op het punt van de opeisbaarheid, komt niet aanstonds geloofwaardig over.

Juist omdat hij als enige tekende in diverse hoedanigheden lag nalezen van de gestelde overeenkomst ook op het punt van details, nu deze klaarblijkelijk door een derde (de accountant) was opgesteld, in de gegeven omstandigheden zeer in de rede.

Het niet (aanstonds) verstrekken van deze belangrijke informatie aangaande de gestelde rekening-courantovereenkomst heeft in ieder geval tot ergernis en begrijpelijk wantrouwen geleid bij geïntimeerde en erfgename.

Dit niet verstrekken van informatie wringt des te meer aangezien appellant zich op het standpunt stelt – welk standpunt door het hof voorshands overigens niet wordt gedeeld omdat elke overeenkomst in beginsel op te zeggen is – dat volgens artikel 4 van die rekening courantovereenkomst de (substantiële) vordering van de nalatenschap op de BV niet opeisbaar is en ook nooit opeisbaar zal worden, een en ander zoals ook aangestipt in de pleitnota in hoger beroep van geïntimeerde en erfgename.

Appellant heeft dus als executeur belangrijke informatie die van grote invloed kan zijn op de uitvoering van de executele en de daadwerkelijke omvang van de nalatenschap, niet (tijdig) gedeeld.

De op 28 februari 2019 opgestelde ruimschootsheidsverklaring als opgesteld door appellant maakt in ieder geval geen melding van deze gestelde beperking van de opeisbaarheid van deze (substantiële) vordering van de nalatenschap.

Hierbij kan in het midden worden gelaten wat de oorzaak is van het niet delen van deze informatie.

Een ander punt van kritiek op appellant als executeur is het afleggen van de zogenaamde ‘ruimschootsverklaring’ (artikel 4:202 lid 2 BW).

Weliswaar zijn er diverse onroerende zaken (huizen) in de nalatenschap aanwezig, maar deze huizen dienen alle nog verkocht te worden, hetgeen bemoeilijkt wordt doordat drie van die huizen zich in het buitenland bevinden, er discussie is over de waarde van sommige van die huizen en er ten aanzien van het huis in Spanje kennelijk nog diverse juridisch-administratieve stappen dienen te worden genomen alvorens het überhaupt te kunnen verkopen.

Daar komt inmiddels bij het standpunt van de executeur zelf dat de vordering van de nalatenschap op de BV nooit opeisbaar zal worden.

In dit licht is het hof van oordeel dat aan geïntimeerde en erfgename kan worden toegegeven dat de ‘ruimschootsverklaring’ wellicht te vroeg en/of mogelijk zelfs ten onrechte lijkt te zijn afgegeven.

Hoewel het hof wil aannemen dat appellant naar eer en geweten heeft willen handelen, acht het hof het in voldoende mate aannemelijk dat hij in zijn functie van executeur c.a. wel de hierboven genoemde “steken” heeft laten vallen.

Dit, terwijl hij volgens het testament steeds moest overleggen met de andere erfgenamen, in welk verband transparante informatieverstrekking ook gewenst en noodzakelijk is.

Al deze punten gezamenlijk maken dat er naar het oordeel van het hof gesproken kan worden over een ernstige verstoring van de verhouding tussen appellant enerzijds, en geïntimeerde en de erfgename anderzijds.

Het hof verwacht niet dat dit vertrouwen alsnog binnen afzienbare tijd en onder handhaving van appellant als executeur c.a. hersteld kan worden.

Voorts speelt ook de complexiteit van de nalatenschap een rol, nu appellant, tijdens de mondelinge behandeling hebben aangegeven dat zij nog geen oplossing hebben voor met name de omvangrijke schuld van de BV aan de nalatenschap.

De combinatie van èn de verstoorde verhoudingen tussen erfgenamen èn het gegeven van een bijzonder gecompliceerde nalatenschap, maakt dat de beslissing van de rechtbank om appellant te ontslaan als executeur c.a. in de nalatenschap wegens gewichtige reden als bedoeld in artikel 4:149 lid 2 BW, dient te worden bekrachtigd.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat executeur over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het ontslag van een executeur, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de taken en bevoegdheden van de executeur, bezoek dan onze website over de executeur. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.