De Rechtbank Rotterdam heeft op 21 augustus 2020 uitspraak gedaan over een bewaarneming van contante geld en de vraag of er sprake was van een schenking ter zake des doods.

Bewaarneming van contante gelden. Schenking ter zake des doods? Vormvereisten.

De rechter oordeelt als volgt.

Vooropgesteld wordt dat bewaarneming de overeenkomst is waarbij de ene partij, de bewaarnemer, zich tegenover de andere partij, de bewaargever, verbindt, een zaak die de bewaargever hem toevertrouwt of zal toevertrouwen, te bewaren en terug te geven (artikel 7:600 BW).

Vast staat dat de vader van eiser, die volgens eiser tot aan zijn overlijden over zijn volledige verstandelijke vermogens beschikte en volledig beschikkingsbevoegd was met betrekking tot zijn eigendommen, in 2013 een bedrag van € 10.000,- in contanten aan gedaagde in bewaring heeft gegeven.

Nu niet gesteld is dat de vader van eiser op enig moment gedaagde heeft verzocht dit bedrag terug te geven, gaat de kantonrechter er vanuit dat een dergelijk verzoek bij leven niet is gedaan.

In zoverre kan zij eiser dan ook niet volgen in zijn standpunt dat gedaagde jegens de vader van eiser tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst van bewaarneming.

Dat neemt niet weg dat gedaagde thans in beginsel jegens eiser, de enig erfgenaam van zijn vader, verplicht was en is aan zijn verzoek tot teruggave van het door haar in bewaring genomen bedrag gehoor te geven.

Gedaagde heeft echter aangevoerd dat de vader van eiser haar uitdrukkelijk heeft medegedeeld dat als hij voor zijn overlijden geen gebruik zou maken van het geld -hetgeen niet is gebeurd en waarom door de vader van eiser ook niet bij leven is verzocht- dit haar zou toekomen.

Eiser heeft evenwel bestreden dat van een dergelijke (voorwaardelijke) schenking sprake is geweest, waartoe hij heeft gewezen op de brief, waaruit volgens hem volgt dat het bedrag van € 10.000,- voor de begrafenis van zijn vader was bestemd.

In het midden kan blijven of de vader van eiser het aan gedaagde in bewaring gegeven bedrag van € 10.000,- aan haar heeft geschonken onder de opschortende voorwaarde dat hij dit bedrag voor zijn overlijden niet nodig zou hebben.

Daarbij is van belang dat op grond van artikel 7:177 lid 1 BW geldt dat voor zover een schenking de strekking heeft dat zij pas na het overlijden van de schenker wordt uitgevoerd (de ‘schenking ter zake des doods’) en deze niet reeds tijdens het leven is uitgevoerd, de schenking vervalt met het overlijden van de schenker, tenzij de schenking door de schenker persoonlijk is aangegaan en van de schenking een notariële akte is opgemaakt.

In dit geval staat vast dat de door gedaagde gestelde (voorwaardelijke) schenking niet reeds tijdens het leven van de vader van eiser is uitgevoerd -bij leven hield gedaagde het bedrag van € 10.000,- immers voor hem onder zich uit hoofde van de bewaarnemingsovereenkomst- en ook dat de gestelde schenking niet in een notariële akte werd vastgelegd.

De door gedaagde]gestelde (voorwaardelijke) schenking is dan ook met het overlijden van de vader van eiser vervallen.

Dat betekent dat gedaagde geen rechten kan ontlenen aan de door haar gestelde schenking en dat zij het haar in bewaarneming gegeven bedrag aan (thans) eiser moet terugbetalen, voor zover althans niet reeds gedaan.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling  erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over schenking en giften in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.