De Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 26 april 2019 uitspraak gedaan over de vraag of de vereiste aangifte van de erfbelasting was gedaan door de erfgenamen van de erflater.

Tussen partijen is in geschil of de vereiste aangifte erfbelasting is gedaan.

De inspecteur van de belastingdienst heeft zich op het standpunt gesteld dat de vereiste aangifte niet is gedaan, zodat de bewijslast moet worden verlegd en verzwaard.

Het deels ingevulde aangifteformulier, gevoegd bij de brief van 10 augustus 2015, kan niet als zodanig worden aangemerkt omdat daarin niet belanghebbenden maar enkel de erfgenaam is vermeld.

Belanghebbenden hebben daartegenover gesteld dat de vereiste aangifte wél is gedaan op 10 augustus 2015, omdat zij in die brief hebben aangegeven geen erfbelasting verschuldigd te zijn.

Dat alleen de naam van de erfgenaam is vermeld, terwijl er wel is aangegeven dat er drie erfgenamen zijn, maakt dit niet anders.

Erfbelasting. Is de vereiste aangifte gedaan door de erfgenamen van de erflater?

De rechter oordeelt als volgt.

De rechter is van oordeel dat belanghebbenden de vereiste aangifte hebben gedaan en dat de zogeheten omkering en verzwaring van de bewijslast, als bedoeld in artikel 27e, eerste lid, van de AWR, in dit geval niet geldt.

Daartoe overweegt de rechtbank dat, kennelijk namens belanghebbenden, bij hun brief van 10 augustus 2015 het gemotiveerde standpunt is ingenomen dat zij geen erfbelasting verschuldigd zijn.

Gelet daarop hebben belanghebbenden aan hun aangifteplicht voldaan, waarbij niet van belang is of dat standpunt uiteindelijk juist of onjuist wordt bevonden.

Dat op het bij de bedoelde brief gevoegde aangiftebiljet de naam van de erfgenaam is vermeld, maakt het vorenstaande niet anders.

In de eerste plaats is aannemelijk dat die vermelding berustte op een vergissing van de contactpersoon.

Verder is aannemelijk dat de contactpersoon alle correspondentie en contacten met de inspecteur verzorgde inzake de belastingaangelegenheden ter zake van de erfenis van de erflater.

Gelet daarop kan bezwaarlijk anders worden geoordeeld dan dat in ieder geval de begeleidende brief namens belanghebbenden is ingediend.

Zij hebben daarmee aan hun aangifteplicht voldaan.

Voor beantwoording van de vraag of sprake is van belastingplicht voor de erfbelasting in Nederland is het volgende van belang.

In artikel 1, eerste lid, van de SW is bepaald dat erfbelasting wordt geheven over de waarde van al wat krachtens erfrecht wordt verkregen door het overlijden van iemand die ten tijde van het overlijden in Nederland woonde.

In artikel 3, eerste lid, van de SW is opgenomen dat een Nederlander die in Nederland heeft gewoond en binnen tien jaren nadat hij Nederland metterwoon heeft verlaten, is overleden, wordt geacht ten tijde van zijn overlijden in Nederland te hebben gewoond.

Op grond van artikel 4, eerste lid, van de AWR wordt waar iemand woont naar omstandigheden beoordeeld. Het komt erop aan of deze omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland.

Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land.

Dit betekent dat een betrokkenen in meerdere landen woonachtig kan zijn.

Alle omstandigheden dienen in aanmerking te worden genomen.

Er is geen sprake van een rangorde (Hoge Raad van 21 december 2001, HR:2001:AD7581 en Hoge Raad 21 januari 2011, HR:2011:BP1466).

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over de erfbelasting, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.