Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 6 augustus 2019 uitspraak gedaan over de verjaring van een meerwaardeclausule en over de mogelijkheid van een verjaring van een vordering tot verdeling.

De erfgenamen geïntimeerden hebben zich beroepen op verjaring.

De stelling van de erfgenamen is dat de vordering van appellant op 29 september 2000 opeisbaar is geworden en dat uit artikel 3:307 lid 1 BW volgt dat die vordering per 29 september 2005 verjaard is.

Appellant voert daar tegen aan dat artikel 3:307 lid 2 BW meebrengt dat de verjaring van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd, waarvan in dit geval sprake is, pas gaat lopen op de dag nadat de schuldeiser heeft meegedeeld tot opeising over te gaan.

De rechter begrijpt dat appellant zich op het standpunt stelt dat deze termijn op zijn vroegst op 27 maart 2014 is gaan lopen.

Daarnaast stelt appellant dat voor opeisbaarheid van een vordering wetenschap omtrent het bestaan daarvan bij de schuldeiser noodzakelijk is en deze niet bestond.

Ook beroept hij zich op artikel 3:321 lid 1 sub f BW: geïntimeerde heeft de opeisbaarheid van de vordering voor hem verborgen gehouden en op de onaanvaardbaarheid, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, van een beroep op verjaring in dit geval.

Tenslotte doet hij nog een beroep op het feit dat de vordering een gemeenschap vormt en verdeling daarvan te allen tijde kan worden gevorderd (artikel 3:178 BW) en dat, zou de vordering al verjaard zijn, de waarde daarvan ingevolge artikel 6:131 BW nog steeds kan worden betrokken in de verdeling van de nalatenschap van moeder op grond van gedwongen schuldverrekening ex artikel 3:184 BW.

Verjaring van een meerwaardeclausule? Opeisbaarheid. Verjaring van een vordering tot verdeling?

De rechter overweegt het volgende.

De betreffende verbintenis vloeit voort uit de bepalingen van de akte van 10 juli 1995

Daarin is de uitwerking van de meerwaardeclausule gegoten in de vorm van een te verdelen koopsom.

Die verdeling heeft tot op heden niet plaatsgevonden zodat er sprake is van een onverdeeldheid.

Dan brengt artikel 3:178 lid 1 BW mee dat van verjaring geen sprake kan zijn, nu de verdeling te allen tijde kan worden gevorderd.

Deelgenoten in deze onverdeeldheid zijn ingevolge de akte geïntimeerde en zijn ouders of hun rechtverkrijgenden.

Als een van die rechtverkrijgenden kan appellant thans deze verdeling vorderen, aangezien uit de aard van de gemeenschap of uit de overige leden van artikel 3:178 BW niet iets anders voortvloeit.

Het beroep op verjaring faalt dus.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over de verjaring in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.