Van onze advocaat kindsdeel. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 18 januari 2018 uitspraak gedaan over een verzoek tot opheffing van een ondercuratelestelling. Het verzoek tot opheffing van de ondercuratelestelling werd afgewezen omdat de noodzaak voor de ondercuratelestelling nog steeds bestond.

Bij beschikking van 10 juli 2014 heeft de kantonrechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, over de goederen die appellant als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind ingesteld.

Voorts is ten behoeve van appellant een mentorschap ingesteld.

Bij beschikking van 14 augustus 2015 heeft de kantonrechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, appellant onder curatele gesteld wegens zijn lichamelijke of geestelijke toestand, met benoeming van de belanghebbende tot curator.

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek van appellant tot opheffing van de ondercuratelestelling afgewezen.

Appellant kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

De advocaat van appellant voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, – kort samengevat – aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de oorzaken die destijds tot de ondercuratelestelling aanleiding hebben gegeven nog steeds bestaan.

Appellant stelt dat hij zich tijdens de ondercuratelestelling positief heeft ontwikkeld. Appellant heeft geen nieuwe contracten meer afgesloten, hij is onder behandeling van een psycholoog en hij ontvangt thuisbegeleiding. Appellant handelt niet meer impulsief en hij is niet meer gemakkelijk door derden te beïnvloeden. Appellant stelt dat hij door de ondercuratelestelling in zijn dagelijkse leven wordt beperkt. Appellant moet voor alles overleg plegen met de curator en heeft niet de zekerheid dat de zaken die de curator moet regelen ook daadwerkelijk worden geregeld. Voorts wordt er slecht door de curator gecommuniceerd. Appellant is van mening dat zijn belangen voldoende kunnen worden behartigd door een minder ingrijpende maatregel, zoals een beschermingsbewind met daarnaast eventueel een mentorschap. Appellant is thans in staat om zaken zelf te regelen. Appellant heeft ter zitting in hoger beroep de door de curator gestelde gedragingen weersproken.

De curator voert ter zitting van het hof – kort samengevat – aan dat de ondercuratelestelling van appellant nog steeds noodzakelijk is.

Appellant heeft in de afgelopen periode de curator niet laten zien dat hij in staat is om verstandige beslissingen te nemen. Appellant heeft onder meer – onder druk van de woningbouwvereniging – zijn huur opgezegd. Dankzij de ondercuratelestelling heeft de curator dit ongedaan kunnen maken. Voorts heeft appellant het geld dat de curator aan hem had overgemaakt voor een nieuwe milieupas en een nieuw rijbewijs voor andere doeleinden aangewend. Appellant heeft verder de inlogcodes en zijn emailadres bij zijn telefoonprovider veranderd, waarna hoge telefoonrekeningen zijn ontstaan. Appellant pleegt onder druk van derden fraude. De curator heeft van de psycholoog en van het Veiligheidshuis vernomen dat appellant niet behandelbaar en niet bereikbaar is.

Curatele. Opheffing van de ondercuratelestelling?

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 1:378 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een meerderjarige door de rechter onder curatele worden gesteld wanneer hij tijdelijk of duurzaam zijn belangen niet behoorlijk waarneemt of zijn veiligheid of die van anderen in gevaar brengt, als gevolg van:

  1. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel
  2. gewoonte van drank- of drugsmisbruik,

en een voldoende behartiging van die belangen niet met een meer passende en minder verstrekkende voorziening kan worden bewerkstelligd.

Ingevolge artikel 1:389 lid 2 BW kan de kantonrechter de curatele opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van de curatele niet zinvol is gebleken, zulks op verzoek van de curator of degene die gerechtigd is de curatele te verzoeken als bedoeld in artikel 1:379 BW, alsmede ambtshalve.

Ter beoordeling van het hof ligt thans de vraag voor of de ondercuratelestelling van appellant dient te worden opgeheven dan wel dient te worden omgezet in een minder verstrekkende voorziening.

Bij beschikking van de kantonrechter van 10 juli 2014 is bewind ingesteld over alle goederen die appellant als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren, welk bewind bij de beschikking van 14 augustus 2015 is omgezet in een ondercuratelestelling.

De reden voor de omzetting was blijkens die beschikking gelegen in het feit dat appellant als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand zijn belangen niet behoorlijk kon waarnemen en dat een voldoende behartiging van die belangen niet met het bewind kon worden bewerkstelligd.

Het hof is naar aanleiding van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep van oordeel dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de situatie thans dusdanig is gewijzigd dat de noodzaak van de ondercuratelestelling niet langer bestaat.

Het hof is – anders dan appellant – van oordeel dat de noodzaak van de curatele nog steeds bestaat.

Het hof verwijst in dat kader naar de ter zitting van het hof door de curator genoemde voorbeelden betreffende gedragingen van appellant, die door appellant niet afdoende zijn weersproken.

Het door de curator aangehaalde voorbeeld van de door appellant – onder druk van de woningbouwvereniging – opgezegde huur, maakt tevens duidelijk dat de curatele nog zinvol is en er niet met een minder verstrekkende maatregel kan worden volstaan.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over het kindsdeel of over de legitieme, over wilsonbekwaamheid in het erfrecht of over een ondercuratelestelling of een beschermingsbewind, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.