Van onze advocaat legitieme. De Rechtbank Limburg heeft op 31 oktober 2018 uitspraak gedaan over de legitieme en over het bewijs van een mondeling aangegane geldlening.

Gedaagde heeft primair het bestaan van de geldlening betwist. Zijdens eiser is ter comparitie gesteld dat de overeenkomst mondeling tot stand is gekomen en het bedrag van € 40.000,- in 2008 contant aan gedaagde is verstrekt, zodat hiervan geen stukken beschikbaar zijn.

Het bestaan van de geldlening blijkt volgens eiser echter uit de door hem overgelegde e-mailcorrespondentie tussen de assurantieadviseur en gedaagde, waaronder de e-mailconversatie van 11 mei 2016.

Legitieme. Bewijs van mondeling aangegane geldlening. Verjaring van de vordering?

De rechter oordeelt als volgt.

Gedaagde heeft ter comparitie verklaard dat hij met de weergegeven passage (“mijn legitieme mag voor 80% afgelost worden aan eiser”) bedoelde dat hij ermee akkoord kon gaan dat de nalatenschap niet 75%-25% zou worden verdeeld, maar 80%-20%, in verband met kosten die eiser stelde te hebben gemaakt.

Voorts heeft hij verklaard dat hij in de correspondentie het bestaan van de lening nooit heeft betwist, omdat hij er geen zin meer in had.

Gelet op de context – de e-mail van gedaagde is een reactie op de expliciete vraag van de assurantieadviseur of gedaagde zijn legitieme portie opeist, met het voorstel dat deze verrekend kan worden met de schuld aan eiser uit hoofde van de geldleningsovereenkomst – en op de formulering in de e-mail van gedaagde, waarin hij spreekt van het ‘aflossen’ van de legitieme, kan de e-mail van gedaagde niet anders worden uitgelegd dan dat hij daarmee heeft bedoeld dat hij zijn legitieme voor 80% wilde gebruiken om de lening af te lossen en 20% wilde ontvangen om dat aan zijn kinderen te geven.

Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat gedaagde het bestaan van de door eiser gestelde geldlening heeft erkend.

In ieder geval heeft gedaagde het bestaan daarvan op dat moment niet betwist, hetgeen wel in de lijn der verwachting had gelegen als deze lening hem niet bekend was, gelet op de expliciete vraag van de assurantieadviseur] (“graag jouw reactie op de geldleningsovereenkomst”).

De rechtbank voegt hieraan toe dat de verklaring van gedaagde dat het zou gaan om de verdeling van de nalatenschap, waarbij gedaagde met 20% in plaats van 25% genoegen zou nemen in verband met door eiser gestelde kosten op geen enkele wijze steun vindt in de tekst van de beide e-mails van 11 mei 2016.

Subsidiair heeft gedaagde gesteld dat, nu er geen schriftelijke overeenkomst van de geldlening bestaat, ook geen afspraken zijn gemaakt met betrekking tot de opeisbaarheid.

Daaruit volgt, aldus gedaagde, dat de vordering direct opeisbaar was en inmiddels is verjaard.

Zijdens eiser is gesteld dat het feit dat de geldlening niet direct is terugbetaald niet automatisch betekent dat deze is verjaard.

De opeisbaarheid van geldleningen is geregeld in artikel 7:129 onder e BW.

Dit artikel bepaalt dat, als uit de overeenkomst van geldlening geen ander tijdstip voortvloeit, de lener verplicht is het door hem op grond van de overeenkomst verschuldigde terug te geven binnen zes weken nadat de uitlener heeft medegedeeld tot opeising over te gaan.

Gelet op de stellingen van eiser, die zich bij de onderbouwing van zijn vordering onder meer beroept op de e-mail van de assurantieadviseur van 4 februari 2016 heeft eiser, zich (in ieder geval) op 3 februari 2016 beroepen op terugbetaling van de lening.

Sindsdien is de verjaringstermijn nog niet verstreken, zodat de rechtbank dit verweer van gedaagde zal verwerpen.

Op grond van bovenstaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat de stelling van eiser dat sprake is van een opeisbare overeenkomst van geldlening voldoende vaststaat.

Bij eindvonnis zal deze vordering worden toegewezen, waarbij de betaling van dit bedrag zal plaatsvinden via verrekening met de legitieme portie van gedaagde.

Eiser vordert vergoeding van wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 januari 2018.

Nu niet nader is gemotiveerd waarom de wettelijke rente vanaf die datum berekend moet worden, zal de rechtbank de wettelijke rente berekenen vanaf datum dagvaarding.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over de legitieme of over het kindsdeel, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het verschaffen van inlichtingen over een nalatenschap, of over verjaring in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.