Van onze advocaat nietig testament. De Rechtbank Limburg heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over het terugkomen op een bindende eindbeslissing. Was sprake van een feitelijke of juridische misslag? Was sprake van wilsonbekwaamheid van de erflater?

De rechtbank stelt voorop dat het criterium om terug te komen op een bindende eindbeslissing is, of de eisen van een goede procesorde meebrengen dat een rechter aan wie is gebleken dat een eerder door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag, zulks ten einde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een uitspraak zou doen.

Gedaagde heeft gesteld dat de rechtbank moet terugkomen op haar oordeel dat in beginsel vast staat dat men niet meer compos mentis is, laat staan dat men dat elke minuut van de dag is, indien er sprake is van dementie.

Kennelijk stelt gedaagde ook dat uit het feit dat vader op de gesloten afdeling van Zorgcentrum de W te B is opgenomen, door de rechtbank niet voorshands mag worden aangenomen dat vader vanaf die opname niet meer compos mentis was.

Terugkomen op bindende eindbeslissing? Feitelijke of juridische misslag? Wilsonbekwaamheid van erflater? Volmacht? Afleggen van rekening en verantwoording?

De rechter oordeelt als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat het verzoek om op het omstreden oordeel terug te komen al daarom moet worden afgewezen, omdat gedaagde niet voldoende heeft onderbouwd waarom de omstreden beslissing berust op een feitelijke of juridische misslag.

Gedaagde stelt immers zelf, met een beroep op inhoud van de website van de Hersenstichting, dat dementie een verzamelnaam is voor verschillende hersenziekten, welke echter kennelijk als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat de verstandelijke vermogens achteruit gaan.

Uit het achteruitgaan van de verstandelijke vermogens van erflater, te meer nu deze kennelijk van een dusdanige ernst is dat deze aanleiding heeft gegeven tot een opname op een gesloten afdeling, kan wel degelijk voorshands bewezen worden geacht dat erflater niet meer compos mentis was.

Het is dan aan gedaagde om deze voorshands bewezen geachte stelling te ontzenuwen, zoals reeds overwogen in het tussenvonnis van 10 mei 2017. De rechtbank zal dit tegenbewijs aan gedaagde opdragen.

Gedaagde heeft voorts gesteld dat hij al sedert 2002 een volmacht had van zijn vader, die tot de dood van vader is blijven bestaan, zonder dat vader ooit bezwaren heeft geuit.

Wanneer de volmachtgever niet meer in staat is om de handelingen van de gevolmachtigde te overzien en voor zijn belangen op te komen, dan kan volgens gedaagde niet worden gesteld dat er is gehandeld zonder toestemming.

Hoogstens leidt dit tot een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording. Nimmer kan dat er volgens gedaagde toe leiden dat elke handeling geacht moet worden zonder toestemming te zijn verricht. Dat zou volgens gedaagde immers neerkomen op het ontbreken van een (rechtsgeldige) volmacht, zulks terwijl volgens de wettelijke bepalingen een volmacht slechts zijn geldigheid verliest bij ondercuratelestelling, waarvan in casu geen sprake is geweest. Ook op dit oordeel moet de rechtbank volgens gedaagde terugkomen als feitelijk, dan wel juridisch onjuist.

De rechtbank oordeelt dat dat voorgaande berust op een verkeerde lezing van het tussenvonnis van 10 mei 2017.

De rechtbank heeft immers niet geoordeeld dat, als vader niet meer compos mentis was, de volmacht vanaf dat moment zijn geldigheid heeft verloren.

De rechtbank heeft geoordeeld dat gelet op het bestaan van de machtiging uitgegaan moet worden dat gedaagde toestemming had voor de door hem uitgevoerde transacties, tenzij vast komt te staan dat transacties zónder toestemming van de ouders/vader zouden zijn verricht.

Wat de rechtbank hier heeft bedoeld is dat als vader niet meer compos mentis was, er niet zonder meer vanuit kan worden gegaan dat het voortbestaan van de volmacht toestemming inhoudt, bijvoorbeeld als het uitgavenpatroon sindsdien niet past binnen het uitgavenpatroon van vader voordien.

Wat gedaagde overigens heeft aangevoerd, is niet aangevoerd in het kader van de onderbouwing van het verzet tegen de wijziging van de eis, noch ter onderbouwing van het verzoek om terug te komen op een beslissing in het tussenvonnis van 10 mei 2017. Het overigens aangevoerde zal de rechtbank betrekken bij haar oordeel ten gronde.

Gedaagde heeft gesteld dat eiser ter comparitie heeft erkend, hetgeen door gedaagde ook ter comparitie was verklaard, dat gedaagde geen rekening en verantwoording was verschuldigd aan vader. Daaruit volgt volgens gedaagde dat de omstreden vermeerderde eis – gebaseerd op de stelling dat gedaagde ook onrechtmatig zou hebben gehandeld jegens vader – gedekt is.

Deze stelling moet worden verworpen. Afgezien van de vraag of eiser heeft bedoeld te stellen/erkennen dat gedaagde ook geen rekening- en verantwoordingsplicht heeft jegens de erfgenamen, kan, ook indien eiser zou hebben gesteld/erkend dat gedaagde geen rekening en verantwoording is verschuldigd aan vader, hieruit niet volgen dat gedaagde niet onrechtmatig jegens vader kan hebben gehandeld.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament, over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, over de wilsonbekwaamheid van de erflater, over een volmacht en het afleggen van rekening en verantwoording in het erfrecht of over het herroepen van een vonnis, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.