Van onze advocaat legitieme. Het Gerechtshof Den Haag heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de berekening van de omvang van de legitieme.

Artikel 4:65 BW bepaalt dat de legitieme portie wordt berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden, vermeld in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f.

In zijn overige grieven betoogt appellant dat de rechtbank de legitimaire massa op twee onderdelen onjuist heeft vastgesteld. Het hof zal deze hierna bespreken.

Volgens appellant had erflater ten tijde van zijn overlijden een vordering van € 126.385,- inclusief rente op geïntimeerde, vanwege door erflater ten behoeve van geïntimeerde gedane betalingen aan derden. Bij de vaststelling van de legitimaire massa dient met dit bedrag nog rekening te worden gehouden. In zijn memorie van antwoord in incidenteel appel stelt appellant dat hij persisteert dat het bedrag van € 126.385,- in mindering moet worden gebracht op de legitimaire massa omdat dit bedrag ten behoeve van geïntimeerde door erflater is betaald.

Geïntimeerde verweert zich tegen de stellingen van appellant als volgt:

– de door appellant gestelde vordering van erflater ziet op schulden van de tot 2006 door partijen gezamenlijk gedreven vennootschap onder firma (hierna: de vof), die daarna door appellant als eenmanszaak is voortgezet. Bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis van 22 juli 2015 heeft de rechtbank Den Haag geoordeeld dat appellant op basis van de door partijen gemaakte afspraken over de afwikkeling van de vof, gehouden is geïntimeerde te vrijwaren van alle vennootschapsschulden. Erflater had ter zake derhalve geen vordering op geïntimeerde;

– appellant heeft geen belang bij zijn grief omdat indien de legitimaire massa wordt verhoogd met voormeld bedrag van de vordering, de legitimaire aanspraak van geïntimeerde ook hoger wordt.

Geïntimeerde stelt zich in incidenteel appel op het standpunt dat de door de rechtbank berekende legitimaire massa van € 655.187,66 nog moet worden verhoogd met het bedrag van € 126.385,-.

Dit omdat erflater door het betalen van die vennootschapsschulden een vordering heeft gekregen op de vof casu quo vennoten, voor welke vordering appellant geïntimeerde diende te vrijwaren op grond van laatstgenoemd vonnis van de rechtbank Den Haag van 22 juli 2015. Geïntimeerde berekent zijn legitieme portie aldus op € 390.786,33.

Berekening van de omvang van de legitieme. Schulden en goederen van de nalatenschap. Inkorting? Verrekening?

De rechter oordeelt als volgt.

Het hof begrijpt uit de memorie van grieven in samenhang bezien met de memorie van antwoord in incidenteel appel dat de grief van appellant zich beperkt tot de door hem gestelde vordering van erflater op geïntimeerde van € 126.385,-. Blijkens de memorie van antwoord heeft ook geïntimeerde die grief als zodanig heeft opgevat.

Het hof stelt vast dat in hoger beroep tussen partijen in confesso is dat ten tijde van zijn overlijden tot het vermogen van erflater behoorde een vordering van € 126.385,- vanwege door erflater ten behoeve van geïntimeerde betaalde schulden.

Volgens appellant betreft dit een vordering op geïntimeerde, volgens geïntimeerde een vordering op de vennootschap casu quo vennoten, waarvoor appellant hem op grond van het vonnis van 22 juli 2015 dient te vrijwaren.

Het hof is van oordeel dat voormelde geldvordering van erflater deel uitmaakt van de goederen van de nalatenschap als bedoeld in artikel 4:65 BW en derhalve alsnog bij de waarde van die goederen van de nalatenschap moet worden opgeteld.

Het hof overweegt voorts dat het procesdossier onvoldoende relevante gegevens bevat om te kunnen vaststellen of de vordering betrekking heeft op schulden van geïntimeerde verband houdende met de vof of op andere schulden van geïntimeerde en wie deze schulden moet dragen.

Daar komt bij dat partijen hieromtrent wisselende stellingen innemen. Geïntimeerde heeft in eerste aanleg nog betwist dat erflater schulden van de vof voor zijn rekening zou hebben genomen. Dit terwijl appellant in zijn toelichting op de grief melding maakt van een bedrag van ruim € 100.000,- dat erflater ten behoeve van de toenmalige vof en de belastingschuld van beide vennoten zou hebben betaald.

Het hof begrijpt uit de stellingname van appellant in zijn memorie van antwoord in incidenteel appel dat hij een beroep op verrekening doet, in die zin dat de door hem gestelde schuld van geïntimeerde aan erflater ad € 126.385,- op de legitieme portie van geïntimeerde in mindering moet worden gebracht.

Dat erflater een vordering op geïntimeerde had, staat echter blijkens het door partijen gevoerde debat in het geheel niet vast voor het hof, zodat voor (het toepassen van) verrekening geen plaats is.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over de legitieme of over het kindsdeel of over informatieverstrekking of afgifte van stukken en bescheiden voor de berekening van de omvang van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.