Van onze advocaat executeur. De Rechtbank Noord-Holland heeft op 5 september 2018 uitspraak gedaan over de afwikkeling van een nalatenschap en de omvang van de taak van de executeur.

Met betrekking tot de vordering heeft echtgenote het volgende aangevoerd. Als de kantonrechter zou beslissen dat zij niet in het opgedragen bewijs is geslaagd, geldt dat de notariële akte van deling van 20 december 1994 heeft te gelden als uitgangspunt voor de afwikkeling van de nalatenschap:

“(..) De comparanten verklaren met ingang van heden voormelde onverdeeldheid ten aanzien van het registergoed te willen opheffen en bij deze te leveren

In levenslang vruchtgebruik als voormeld aan de overledene alle op de aan deze akte te hechten lijst opgenomen bezitting, waaronder voormelde registergoederen en aandelen.

 In eigendom onder de last van voormeld levenslang vruchtgebruik aan de zoon van echtgenote, die in eigendom aanneemt alle op de aan deze lijst opgenomen bezittingen, waaronder voormelde registergoederen en aandelen, zijnde het registergoed waar tweehonderd veertig duizend gulden onder de plicht voor hem om het in onderling overleg overeengekomen bedrag volgens bijgaande lijst ad zes en zeventig duizend gulden schuldig te erkennen aan zijn zuster en te voldoen zodra gemeld recht van vruchtgebruik ophoudt te bestaan, zullende in verband met gemeld recht van vruchtgebruik geen rente verschuldigd te zijn. (..)”

Als gevolg van het overlijden van de dochter van de echtgenote in 1995 dient haar vordering van fl. 76.000,- uit hoofde van de notariële akte van 20 december 1994 op haar broer te worden toegerekend aan het vermogen van haar vader, wijlen de overleden vader. Zij was destijds immers nog meerderjarig.

Met het overlijden van vader in 2015 is het levenslang vruchtgebruik beëindigd. Hierdoor is de zoon gerechtigd tot het opvorderen van alle tot de nalatenschap van zijn moeder behorende baten.

Daarnaast is zijn schuld uit hoofde van de notariële akte van 20 december 1994 opeisbaar nu het recht van vruchtgebruik ophoudt te bestaan. De nalatenschap van vader kan deze schuld thans opeisen. Aldus de advocaat van de echtgenote.

De zoon heeft verweer gevoerd tegen de subsidiaire vordering. De zoon erkent dat zonder de onderhandse overeenkomst van 22 december 1994 de nalatenschap van echtgenote als afgewikkeld conform de akte van 20 december 1994 dient te worden beschouwd, en dat de nalatenschap aldus is afgewikkeld met levering van het erfdeel van de dochter aan de zoon tegen betaling van fl. 76.000,-. De zoon voert aan dat dit bedrag weliswaar in de eerste plaats opeisbaar is gesteld na einde van het vruchtgebruik, doch dat voor de betaling in dezelfde akte van 20 december 1994 finale kwijting is verleend.

Afwikkeling van een nalatenschap. Vruchtgebruik. Omvang van de taak van de executeur.

De rechter oordeelt als volgt.

Met betrekking tot de vordering overweegt de kantonrechter als volgt.

Partijen zijn het er over eens dat zonder de overeenkomst van 22 december 1994 de nalatenschap van echtgenote is afgewikkeld conform de akte van 20 december 1994.

Naar het oordeel van de kantonrechter ziet de finale kwijting in deze akte niet op kwijtschelding van de vordering van fl 76.000,00 van de dochter op haar broer, maar op de afstand van het erfdeel van de dochter tegen ontvangst van de vordering op haar broer. Dit verweer van de zoon slaagt dus niet.

De echtgenote vordert dat de vordering van fl. 76.000,00 die de dochter als gevolg van die akte op haar broer heeft, als gevolg van het overlijden van de dochter in 1995 dient te worden toegerekend aan het vermogen van haar vader, omdat de dochter destijds nog minderjarig was.

De echtgenote gaat er daarbij kennelijk vanuit dat onder het destijds geldende erfrecht vader de enige erfgenaam van de dochter zou zijn geweest. Naar het oordeel van de kantonrechter is dit niet het geval. Naar oud erfrecht zou de nalatenschap van de dochter via een in de wet bepaalde verdeelsleutel (de zgn. oneigenlijke kloving van artikel 904 van boek 4 oud BW) worden verdeeld over de vader van de dochter, haar broer en de zes halfbroers en -zusters uit de eerdere huwelijken van vader. Vader zou dus aanspraak hebben op slechts een beperkt deel van de nalatenschap van de dochter.

De echtgenote is geen executeur van de nalatenschap van de dochter en kan dus niet uit dien hoofde de vordering van de erven van de dochter ad fl. 76.000,00 op de zoon bij hem opeisen.

Als executeur van de nalatenschap van de overledene kan de echtgenote namens de erven van de overleden vader slechts als één van de deelgenoten in de nalatenschap van de dochter overgaan tot gezamenlijke afwikkeling van die nalatenschap en vervolgens aanspraak maken op toedeling van vaders erfdeel (naar oud erfrecht) in de nalatenschap van de dochter aan diens nalatenschap.

Echter, de nalatenschap van de dochter is na haar overlijden niet afgewikkeld.

Gelet op het verhandelde ter zitting is het zelfs in het geheel niet duidelijk of alle versterferfgenamen hun erfdeel in de dochter’ s nalatenschap hebben aanvaard. Dit betekent dat ook de subsidiaire vordering voor afwijzing gereed ligt.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een nalatenschap, over de legitieme of over het kindsdeel, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het vestigen of het opheffen van vruchtgebruik, over plaatsvervulling of toerekening van een schuld in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.