Van onze advocaat executeur. Het Gerechtshof Den Haag heeft op 7 augustus 2018 uitspraak gedaan over een vordering tegen de executeurs tot doen van rekening en verantwoording. Vordering tot verdeling. Executeurs worden in de gelegenheid gesteld actuele boedelbeschrijving over te leggen met het oog op vaststelling verdeling door het hof.

De eerste grief keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de taak van de executeurs nog niet is voltooid.

De taak van de executeurs is op grond van het testament om de goederen van de nalatenschap te beheren en de schulden van de nalatenschap die tijdens zijn beheer uit die goederen behoren te worden voldaan, te voldoen.

Hun taak eindigt (onder meer) wanneer hun werkzaamheden als zodanig zijn voltooid. Ook de executeurs hebben, aldus appellant, verklaard dat zij hun taak hebben volbracht.

De executeurs bestrijden te hebben erkend dat hun taak is geëindigd. Nog niet alle schulden van de nalatenschap zijn voldaan: zo lang de tot de B.V. waarvan de aandelen tot de nalatenschap behoren niet is ontbonden, kan geen aangifte dividend- en vennootschapsbelasting worden gedaan zodat deze schulden nog niet kunnen worden voldaan.

Ook uit de thans nog aanhangige procedure(s) kunnen nog vorderingen op de nalatenschap ontstaan die wellicht nog voldaan moeten worden.

Tot de taak van de executeurs behoort volgens hen ook dat zij de nalatenschap verder afwikkelen c.q. het overschot verdelen/afstaan onder/aan de executeur en appellant.

Ten slotte wijzen zij erop dat indien de taak van de executeur is geëindigd, hiermee niet automatisch ook zijn beheer eindigt.

Afwikkeling nalatenschap. Vordering tegen executeurs tot doen van rekening en verantwoording. Informatieplicht. Beheer van de nalatenschap. Vordering tot verdeling van de nalatenschap door de rechter.

Het hof oordeelt als volgt.

De taak van de executeurs bestaat op grond van het testament van vader in het beheren van de goederen van de nalatenschap en het voldoen van de schulden van de nalatenschap die tijdens zijn beheer uit die goederen behoren te worden voldaan (vgl. art. 4:144 lid 1 en art. 4:147 lid 1 BW).

Verder behoort tot hun taak het opmaken van een boedelbeschrijving, het eventueel aanwijzen van een boedelnotaris en het verstrekken van alle door de erfgenaam verlangde inlichtingen over de uitvoering van zijn taak (vgl. de artikelen 4:146-148 BW).

Anders dan de executeurs aanvoeren, behoort tot hun taak derhalve niet zonder meer de volledige afwikkeling van de nalatenschap.

Ook hun standpunt dat de aanwezigheid van een of meer schulden, en zelfs de mogelijkheid dat uit de onderhavige procedure nog schulden zullen voortvloeien, meebrengt dat hun taak niet is geëindigd, volgt het hof niet, nu tot hun taak slechts behoort het voldoen van schulden die tijdens hun beheer uit de goederen van de nalatenschap behoren te worden voldaan, derhalve niet ook de schulden die niet reeds voor het einde van het beheer behoren te worden voldaan.

Beslissend is derhalve of de werkzaamheden die gerekend kunnen worden tot het beheer zijn voltooid. De executeurs zijn op grond van het testament van vader “onder meer bevoegd legaten af te geven, aan verblijvingsbedingen en overnemingsbedingen uitvoering te geven en schulden ter zake van legitieme porties te voldoen”.

Deze werkzaamheden, die dus onder “beheer” vallen, zijn in de nalatenschap van vader niet meer aan de orde. Het bewerkstelligen van ontbinding van de B.V. behoort niet tot de beheerswerkzaamheden van de executeurs.

Voor de verplichting tot het doen van rekening en verantwoording door de executeurs geldt hetzelfde. De executeurs zijn daartoe wel verplicht, maar deze verplichting behoeft zowel op grond van het testament als op grond van art. 4:151 BW eerst te worden nagekomen als de bevoegdheid tot beheer van de nalatenschap (en – naar moet worden aangenomen in verband met hetgeen hierna onder 47 wordt overwogen – ook dat beheer zelf) is geëindigd.

Nu van geen van de door executeurs genoemde nog te verrichten werkzaamheden kan worden aangenomen dat zij behoren tot het beheer dat aan hen als executeurs is opgedragen, moet worden geoordeeld dat hun taak als executeurs is geëindigd.

Grief 1 slaagt derhalve.

Dat laat evenwel onverlet dat met het eindigen van hun taak als executeurs niet automatisch ook hun beheer over de goederen van de nalatenschap is geëindigd.

Op grond van art. 4:150 lid 1 BW geldt immers dat zij, nadat zij hun taak met het oog waarop hun het beheer was opgedragen hebben volbracht, hebben beëindigd, bevoegd zijn hun beheer te beëindigen door de goederen ter beschikking van de erfgenamen te stellen (vgl. HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:38, NJ 2013/521).

Tussen partijen is niet in geschil dat de executeurs hun beheer tot op heden niet hebben beëindigd. De advocaat van appellant heeft in deze procedure evenmin een vordering ingesteld die ertoe strekt de executeurs ertoe te veroordelen dat zij hun beheer beëindigen.

Het is overigens twijfelachtig of appellant bij een dergelijke vordering thans, gelet op de samenstelling van de nalatenschap (financiële middelen en de aandelen in de B.V.) en de omstandigheid dat het hof tevens heeft te beslissen op een vordering tot (vaststelling van de) verdeling van de nalatenschap, enig reëel belang zou hebben.

Met de volgende grieven keert appellant zich tegen de afwijzing door de rechtbank van zijn vordering tot veroordeling van executeurs tot het doen van rekening en verantwoording en de toewijzing van de vordering van executeurs tot het geven van een verklaring voor recht dat zij met het Eindverslag en de door hen overgelegde “cijfermatige uitwerking uit te betalen bedragen aan erfgenamen” rekening en verantwoording hebben afgelegd voor al hun werkzaamheden en dat zij daarmee zijn gedechargeerd voor het door hen gevoerde beheer en gedeeltelijke afwikkeling.

De advocaat van appellant benadrukt dat in het testament van vader is bepaald dat de executeurs verplicht zijn na het einde van hun bevoegdheid tot beheer rekening en verantwoording af te leggen aan degene die na hen tot het beheer bevoegd zijn, waaronder derhalve appellant, alsmede dat rekening en verantwoording wordt afgelegd bij en door middel van de notariële akte van verdeling van de nalatenschap, waarin de verdeling wordt vastgelegd.

Decharge kan pas worden verleend, aldus appellant, als op de in het testament voorgeschreven wijze rekening en verantwoording is gedaan. Ten onrechte is de rechtbank van de voorschriften uit het testament afgeweken. Appellant heeft niet het recht verwerkt om alsnog rekening en verantwoording te verlangen.

Appellant wijst er verder op dat executeurs ingevolge het testament verplicht zijn alle door appellant gewenste inlichtingen te verstrekken omtrent de uitoefening van hun taak.

De door de executeurs verstrekte informatie schiet echter tekort. Appellant heeft aanspraak gemaakt op een cijfermatig overzicht waarin alle inkomsten en uitgaven middels bescheiden worden aangetoond. Daarbij dient per onderdeel uit het overzicht te blijken wanneer een bepaalde uitgave is gedaan, onder bijvoeging van een kopie van de rekening alsmede de uitleg waarom de desbetreffende uitgave noodzakelijk was.

Een dergelijk overzicht ontbreekt, waardoor voor appellant de link ontbreekt tussen de door hem ontvangen verslagen en de (eveneens door hem ontvangen) bankafschriften.

Daardoor ontbreekt voor hem de mogelijkheid om zijn vorderingen goed te onderbouwen. De wel verstrekte informatie vergelijkt appellant met het geven van een telefoonboek als je een telefoonnummer wilt hebben van iemand wiens naam je weet maar je niet weet waar hij woont.

Het hof merkt allereerst op dat de testamentaire bepaling dat de rekening en verantwoording wordt afgelegd bij en door middel van de notariële akte van verdeling van de nalatenschap, waarin de verdeling wordt vastgelegd, kennelijk is gegeven vanuit de verwachting dat de executeurs als afwikkelingsbewindvoerders de verdeling van de nalatenschap tot stand zouden brengen.

Nu het afwikkelingsbewind is geëindigd en de verdeling niet (eenzijdig) door de executeurs tot stand kan worden gebracht, ligt het voor de hand dat de rekening en verantwoording ook anders dan bij en door de notariële akte van verdeling kan worden gedaan.

Ook appellant gaat daarvan kennelijk uit, nu hij zich weliswaar beroept op het hiervoor bedoelde testamentaire voorschrift, maar daarbij eveneens doet blijken dat die wat hem betreft niet per se in de akte van verdeling of zelfs bij notariële akte moet geschieden.

Appellant bestrijdt, naar het hof begrijpt, ook niet zozeer dat de executeurs tussentijds rekening en verantwoording kunnen doen, maar wel dat de executeurs met de door hen opgestelde verslagen en de door hen verstrekte informatie daadwerkelijk (voor de periodes waarop de informatie en de verslagen betrekking hebben) in voldoende mate rekening en verantwoording hebben afgelegd.

Het hof is van oordeel dat de executeurs ruimschoots hebben voldaan aan hun informatieplicht jegens appellant en dat zij door middel van de verslagen en de in verband daarmee nog verstrekte informatie geacht kunnen worden rekening en verantwoording te hebben afgelegd voor de periodes waarop de verslagen betrekking hebben.

De stelling van appellant dat hij onvoldoende informatie heeft gekregen, is door hem niet concreet onderbouwd.

De overgelegde verslagen acht het hof voldoende informatief en onderbouwd, terwijl uit de vele e-mailberichten die over en weer zijn overgelegd naar voren komt dat executeurs zich zeer hebben ingespannen om de vele, vaak zeer gedetailleerde, vragen van appellant te beantwoorden. In de toelichting op de grief worden ook geen concrete onderwerpen genoemd waarover appellant in redelijkheid nog vragen heeft.

Het hof kan zich niet aan de indruk onttrekken dat appellant vanuit wantrouwen jegens de executeurs niet bereid is om nog genoegen te nemen met welke informatie dan ook.

Het hof is derhalve met de rechtbank van oordeel dat de executeurs met het eindverslag van 7 april 2014 en de als productie 20 overgelegde cijfermatige uitwerking voldaan hebben aan hun verplichting tot het doen van rekening en verantwoording voor de periode waarop deze stukken betrekking hebben.

Voorts is het hof van oordeel dat de executeurs inmiddels, door overlegging van productie 3 in hoger beroep (verslag van de executeurs over de periode 8 april 2014 tot en met 31 januari 2016), het H-formulier van 14 februari 2017 (verslag van executeurs over de periode 1 februari 2016 tot en met 31 december 2016), en productie 8 (financieel overzicht ten behoeve van de gevorderde verdeling) zoals aangevuld/vervangen door productie 18, ook voor de periode tot 1 mei 2018 aan hun informatieplicht en rekening en verantwoordingsplicht hebben voldaan en dat zij in zoverre derhalve zijn gedechargeerd. De grieven falen derhalve.

Wilt u de gehele uitspaakbekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over de taken en bevoegdheden van een executeur, over het afleggen van rekening en verantwoording door de executeur, over het recht op informatie in het erfrecht of over het ontslag van een executeur op grond van gewichtige redenen, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.