De Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 20 mei 2019 uitspraak gedaan over de opeisbaarheid en het moment van ontstaan van een vordering op een erfdeel uit een nalatenschap.

Eiseres ontvangt sinds 15 juli 2016 een bijstandsuitkering van O.

Op 23 maart 2018 heeft zij een bedrag van € 13.283,- uit de erfenis van haar in 2005 overleden vader ontvangen.

Volgens O is de aanspraak van eiseres op dat erfdeel al ontstaan op het moment van overlijden van haar vader.

Daarom is er sprake van het achteraf gaan beschikken over middelen over de periode waarin zij een bijstandsuitkering ontving.

Volgens eiseres is de aanspraak op haar erfdeel echter pas ontstaan op het moment dat zij op 23 maart 2018 feitelijk de beschikking kreeg over de € 13.283,- dan wel toen haar moeder op 3 februari 2018 naar een verzorgingstehuis ging.

Haar moeder had tot dat moment namelijk het vruchtgebruik van de woning.

Eiseres kon dus pas aanspraak maken op haar erfdeel op het moment dat haar moeder verhuisde en de woning werd verkocht.

 Aanspraak op een erfdeel. Opeisbaarheid. Ontstaan van het moment van de vordering.

De rechter oordeelt als volgt.

De rechtbank overweegt dat het vaste rechtspraak is dat de aanspraak op een erfdeel voor de toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de Participatiewet ontstaat op het tijdstip van het overlijden van de erflater.

Als de datum van aanspraak op het erfdeel ligt vóór de aanvang van de bijstandverlening, dan is de situatie ten tijde van de bijstandverlening leidend.

Anders dan eiseres stelt, volgt naar het oordeel van de rechter uit die rechtspraak dat de aanspraak op haar erfdeel is ontstaan op het moment van het overlijden van haar vader.

Dat er een recht van vruchtgebruik zou rusten op haar erfdeel, waardoor haar erfdeel pas op 23 maart 2018 feitelijk tot uitbetaling is gekomen, verandert het moment van het ontstaan van de aanspraak niet.

Als er immers geen aanspraak bestaat, dan kan daarop ook geen recht van vruchtgebruik worden gevestigd.

Het is bovendien precies voor de situatie waarin er een aanspraak ontstaat die om wat voor reden dan ook pas later tot uitbetaling komt, waar de bevoegdheid van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de Participatiewet voor is bedoeld.

De aanspraak van eiseres op haar erfdeel is dus ontstaan in 2005.

Omdat die datum ligt voordat aan haar een bijstandsuitkering werd toegekend, is de datum waarop aan haar een bijstandsuitkering werd toegekend volgens de hiervoor aangehaalde rechtspraak leidend.

Dit betekent dat O het vermogen van eiseres per de datum waarop aan haar een bijstandsuitkering werd toegekend, te weten 15 juli 2016, opnieuw heeft kunnen vaststellen nadat zij op 23 maart 2018 daadwerkelijk over haar erfenis is gaan beschikken.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over vruchtgebruik in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.