De Rechtbank Amsterdam heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of het voorshands bewezen was dat een erfgenaam, tevens zijnde executeur, contant geld op de boedelbeschrijving van de nalatenschap heeft verzwegen.
Centraal staat nu nog de vraag of gedaagde (q.q.) € 13.250 heeft verzwegen in de boedelbeschrijving van de nalatenschap van erflater, wat de rechtbank van het tussenvonnis als voorshands bewezen feit heeft aangenomen.
Dit geld heeft gedaagde (q.q.) in het laatste halfjaar van erflaters leven met de bankpas van erflater gepind.
Volgens eisers was dit geld bij het overlijden van erflater nog aanwezig in huis en dus behorend tot het vermogen van erflater.
Daarmee zou het bedrag ten onrechte niet op de boedelbeschrijving zijn vermeld.
Gedaagde (q.q.) is toegelaten tot het leveren van tegenbewijs en heeft getuigen laten horen en rekeningafschriften overgelegd.
Anders dan waar eisers in hun conclusie na enquête vanuit gaan, hoeft gedaagde (q.q.) slechts het voorshands bewezen geachte feit te ontzenuwen en niet het tegendeel te bewijzen.
Erfrecht. Verzwijging van gelden? Is het op voorhand bewezen dat erfgenaam, tevens executeur, contant geld op de boedelbeschrijving van de nalatenschap heeft verzwegen? Pinpasopnames.
De rechter oordeelt als volgt.
De rechtbank komt tot de slotsom dat gedaagde (q.q.) slaagt in het ontzenuwen van het voorshands bewezen geachte feit.
Het beroep van eisers op artikel 3:194 lid 2 BW wordt daarom verworpen.
Het volgende is redengevend.
Tussen partijen staat vast dat erflater sinds de herfst van 2013 linkszijdig verlamd was als gevolg van een herseninfarct.
Dat maakte hem volledig hulpbehoevend.
Uit de getuigenverklaringen komt een consistent beeld naar voren van uitgaven in de laatste levensjaren van erflater voor aanpassingen aan de woning, het inschakelen van thuishulp en uitstapjes.
Uit de getuigenverklaringen komt tevens naar voren dat een deel van het gepinde bedrag als terugbetaling voor hulp door Oekraïense vrouwen is uitgegeven.
Daaruit is voldoende aannemelijk geworden dat het contante bedrag van € 13.250 tijdens erflaters leven is uitgegeven, zoals hem dat vrijstond.
Dat betekent dat dit bedrag niet als vermogensbestanddeel van de nalatenschap op de boedelbeschrijving hoort te staan.
Gedaagde (q.q.) heeft dit weliswaar niet onomstotelijk bewezen (bijvoorbeeld door bonnetjes of rekeningen te overleggen), maar dat hoeft ook niet nu hij slechts het voorshands bewezen geachte feit hoeft te ontzenuwen en de bewijslast op eisers rust.
De slotsom luidt dat vordering eisers om gedaagde (q.q.) te veroordelen tot betaling van € 13.250 aan de nalatenschapsboedel, wordt afgewezen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.