De Rechtbank Limburg heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of het instellen van een vordering tot voldoen aan een inbrengverplichting tot de taak behoorde van de executeur.
Erflater heeft bij testament van 18 november 2018 beschikt over zijn nalatenschap.
Hij heeft eiseres voor 1/3 deel en gedaagde voor 2/3 deel tot zijn erfgenaam benoemd.
Tevens heeft hij zijn woning aan gedaagde gelegateerd, tegen inbreng van de waarde in de nalatenschap.
Erfrecht. Taak van de executeur. Innen van verschuldigde prestaties. Afgifte van een legaat. Inbrengverplichting. Behoort het Vorderen van de inbreng tot de taak van de executeur?
De rechter oordeelt als volgt.
De rechtbank overweegt dat de taak van een executeur bestaat uit het innen van aan de nalatenschap verschuldigde prestaties en de voldoening van de schulden van de nalatenschap uit de goederen daarvan.
Daarnaast dient de executeur de legaten af te geven.
In het onderhavige geval heeft gedaagde als executeur de schulden van de nalatenschap voldaan.
Zij heeft tevens het gemaakte legaat, de woning van erflater, afgegeven aan de legataris, zijnde haarzelf.
Dat legaat heeft zij als legataris weliswaar feitelijk aanvaard, maar de rechtbank gaat er, bij gebrek aan stellingen van partijen daarover, vanuit dat de woning niet goederenrechtelijk aan haar is geleverd middels de daarvoor vereiste notariële akte.
Immers, bij die notariële akte zou dan ook de inbrengverplichting moeten zijn vermeld (zie art 46 Wet op het Notarisambt), en vast staat dat er geen (corresponderend) bedrag in de nalatenschap is ingebracht.
Dat is wel verplicht op grond van artikel 6:262 BW.
Voor zover de woning wel notarieel is geleverd, heeft gedaagde als executeur nagelaten de inbrengverplichting te vorderen van gedaagde als legataris.
Nu partijen evenwel overeenstemming hebben bereikt over de waarde van de woning, zijnde € 202.500, -, zal de rechtbank de verdeling kunnen vaststellen.
Daarmee, en gelet op het verstrijken van de verlengde termijn op 15 augustus 2024, is de executele fase beëindigd.
De rechtbank merkt op dat gedaagde als executeur van gedaagde als legataris de vordering op grond van de inbrengverplichting ten aanzien van de woning had moeten innen, maar dat zij dat – zoals reeds opgemerkt – heeft nagelaten.
Nu de executele fase is beëindigd, staat er niets aan in de weg dat de erfgenamen de legataris in rechte betrekken om nakoming van de inbrengverplichting te vorderen.
Daarop zijn de gewone rechtsregels voor wederkerige overeenkomst van toepassing – zie artikel 6:261 lid 2 BW.
Dat betekent dat, voor zover gedaagde als erfgenaam dat weigert, eiseres dat als erfgenaam zelfstandig kan doen.
Eiseres kan daarbij tevens (wederom) conservatoir beslag op de woning doen leggen.
Nu het aandeel van gedaagde in de nalatenschap haar schuld als legataris overschrijdt, wijst de rechtbank voorts op de bepaling van artikel 4:228 lid 2 BW waarbij op verlangen van een erfgenaam de schuld uit een legaat kan worden toegerekend aan het erfdeel van de mede-erfgenaam.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.