De Rechtbank Gelderland heeft onlangs uitspraak gedaan over DNA-onderzoek ter vaststelling van biologische vaderschap.
Eiseres vordert – samengevat – dat gedaagde op straffe van verbeurte van een dwangsom wordt veroordeeld tot het afstaan van lichaamsmateriaal voor het afstammingsonderzoek naar haar biologische vader.
Zij legt aan haar vordering ten grondslag dat zij reden heeft om te vermoeden dat zij niet de biologische dochter van B is maar van A.
Zij heeft er een emotioneel en een financieel belang bij dat in rechte te laten vaststellen.
Als dochter van A kan zij aanspraak maken op in ieder geval de legitieme portie in diens nalatenschap.
Om in rechte het vaderschap van A te laten vaststellen moet zij kunnen bewijzen dat A haar biologische vader was, waarvoor de medewerking van gedaagde aan een DNA-onderzoek noodzakelijk is.
Vergelijking van het DNA van gedaagde met haar DNA zal afdoende bewijs leveren van haar stelling dat de vader van gedaagde ook haar vader was.
Daarbij komt dat zij, naarmate zij ouder is geworden, sterker de behoefte voelt om optimale duidelijkheid te krijgen over haar afkomst.
Omdat gedaagde niet bereid is aan zo’n onderzoek mee te werken, heeft zij recht op en belang bij de gevorderde voorziening, aldus eiseres.
Gedaagde voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van eiseres.
Hij voert aan dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat A haar biologische vader is.
Het feit dat zij nooit eerder aanleiding heeft gezien actie te ondernemen, valt niet te rijmen met het door haar gestelde emotionele belang om te weten wie haar vader is.
Eiseres is pas in actie gekomen nadat gedaagde een procedure is gestart waarin hij heeft gevorderd dat zijn erfdeel uit de nalatenschap van zijn vader A wordt voldaan uit de nalatenschap van de moeder van partijen.
Haar financieel belang bij haar tegenvordering in die procedure is gering en rechtvaardigt niet een inbreuk op zijn lichamelijke integriteit, aldus gedaagde.
Erfrecht. Nalatenschap. Kort geding. Spoedeisend belang. DNA-onderzoek. Bewijs van biologische vaderschap. Aanspraak op legitieme portie. EVRM. Toetsing.
De rechter oordeelt als volgt.
Dit kort geding gaat erover of eiseres een zodanig spoedeisend belang heeft bij de medewerking van gedaagde aan een DNA-onderzoek dat het recht op lichamelijke integriteit daarvoor moet wijken.
Allereerst geldt dat voor het gelasten van een DNA-onderzoek in verband met een vaderschapsonderzoek alleen aanleiding kan zijn als aannemelijk is dat A de verwekker van eiseres kan zijn. Aan die voorwaarde is hier voldaan.
Onweersproken is dat A gedurende het huwelijk tussen B en moeder veel in het gezin van B en moeder verkeerde.
De stelling van eiseres dat moeder haar en de andere kinderen in 1994 heeft verteld dat A haar vader was, is door gedaagde weersproken, maar vindt steun in de -door gedaagde betwiste- verklaring van 24 april 2024 van X, ex-echtgenote van gedaagde.
Zij schrijft dat haar man haar in 1994 heeft verteld dat hij en eiseres biologisch broer en zus zijn.
Voorts is uit vergelijking van het DNA-materiaal van C met DNA-materiaal van eiseres gebleken dat zij geen volle zussen zijn.
Daarmee staat vast dat B wel de juridische vader maar niet de biologische vader van eiseres is.
A zou dus de verwekker van eiseres kunnen zijn.
Vervolgens moet worden afgewogen of eiseres er een zodanig zwaarwegend spoedeisend belang bij heeft om informatie over haar eigen (biologische) afstamming te verkrijgen dat het recht van gedaagde om niet tegen zijn wil aan een DNA-test te worden onderworpen, daarvoor moet wijken.
Het recht op informatie over iemands biologische afstamming is een fundamenteel recht dat wordt beschermd door internationale mensenrechtenverdragen, onder meer door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), als onderdeel van het recht op bescherming van het privéleven.
De mogelijkheid om informatie te verkrijgen over de eigen afstamming is van belang voor het vormen en ontwikkelen van een eigen identiteit en persoonlijkheid.
Het belang bij bescherming van dit recht wordt niet minder, maar neemt veeleer toe naarmate een persoon ouder wordt.
Tegenover het recht van een persoon om te weten van wie hij afstamt, staat het recht om niet tegen zijn wil aan een DNA-test te worden onderworpen.
Die rechten zijn eveneens fundamentele rechten die besloten liggen in het recht op bescherming van het privéleven en die als zodanig eveneens worden beschermd door artikel 8 EVRM.
Als het recht van een persoon om te weten van wie hij afstamt, botst met het recht van de andere persoon om niet mee te werken aan een DNA-test, moet volgens de rechtspraak van het EHRM door middel van een belangenafweging worden vastgesteld welk van deze rechten prevaleert.
Over de onderlinge rangorde tussen enerzijds het recht van een meerderjarig kind om te weten door wie het is verwekt en anderzijds het recht van de verwekker om niet aan een DNA-test te worden onderworpen, geldt in zijn algemeenheid dat ten opzichte van de vermoedelijke verwekker het recht van het kind op het verkrijgen van informatie over de eigen biologische afstamming voorgaat, ook indien deze informatie moet worden verkregen door middel van een bij de vermoedelijke biologische vader af te nemen DNA-test.
In deze zaak richt eiseres haar vordering mee te werken aan een DNA-onderzoek echter niet tegen haar mogelijke verwekker, maar tegen diens zoon.
Overwogen wordt dat in dit geval het recht van gedaagde op bescherming van zijn lichamelijke integriteit zwaarder weegt dan dat van iemand die die verwekker zou kunnen zijn.
Door eiseres is gesteld dat zij en de andere kinderen al in 1994 van moeder hebben gehoord dat A eiseres vader was.
Dat eiseres toen moeder en A nog leefden, uit piëteit voor hen geen actie heeft ondernomen om het vaderschap van A te laten vast stellen, is begrijpelijk, hoewel ook voorstelbaar is dat eiseres hierover navraag zou hebben gedaan bij andere directe familieleden.
Voor het feit dat zij echter ook na het overlijden van moeder in 2020 niet direct actie heeft ondernomen, heeft eiseres geen goede verklaring gegeven.
Zij heeft aangevoerd dat zij door de dagvaarding namens gedaagde weer geconfronteerd werd met de situatie, maar dit verschaft haar geen spoedeisend belang bij de gevorderde (medewerking aan een) DNA-test.
Het feit dat eiseres in de door gedaagde aanhangig gemaakte procedure aanspraak heeft gemaakt op de legitieme portie uit de nalatenschap van A verschaft haar evenmin voldoende spoedeisend belang.
Dat financieel belang is immers gering en bovendien hebben partijen de zaak geschikt.
Bij gebrek aan (spoedeisend) belang zal de vordering van eiseres worden afgewezen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.