Van onze advocaat verdeling erfrecht. De Rechtbank Rotterdam heeft op 7 februari 2018 uitspraak gedaan over een verzoek tot inzage van een medisch dossier na overlijden van de erflater ter vaststelling van de wilsonbekwaamheid van de erflater.

De zoon als erfgenaam en eiser heeft de huisarts verzocht om (delen) van het medisch dossier van zijn moeder, de erflaatster, aan hem te verstrekken. De huisarts heeft aan het verzoek van de erfgenaam geen gehoor gegeven.

De erfgenaam vordert – samengevat en zakelijk weergegeven – dat de rechtbank de huisarts zal veroordelen om aan de erfgenaam een afschrift te verstrekken van het gehele medische dossier van zijn moeder, op straffe van verbeurte van een dwangsom, vermeerderd met rente en kosten.

Hieraan ten grondslag legt de erfgenaam primair dat het beroepsgeheim van de huisarts moet worden doorbroken nu de erfgenaam door de machtiging van 21 september 2013 expliciete toestemming heeft gekregen om het medisch dossier van zijn moeder op te vragen en in te zien.

Ook is sprake van een andere (subsidiaire) uitzonderingsgrond, namelijk de veronderstelde toestemming die moeder eiser als erfgenaam heeft gegeven nu de zoon nauw en intensief betrokken is geweest bij de medische behandeling en zorg voor zijn moeder.

Meer subsidiair doet de erfgenaam een beroep op het aanwezig zijn van een zwaarwegend belang waardoor het beroepsgeheim zou moeten wijken, nu er vermoedens zijn van medisch onjuist of onzorgvuldig handelen.

De huisarts voert verweer, dat strekt tot afwijzing van de vordering, kosten rechtens.

Zij voeren daartoe aan dat als hoofdregel geldt dat het beroepsgeheim van de huisarts blijft gelden na het overlijden van de moeder van eiser. De machtiging van 21 september 2013 zet het beroepsgeheim niet opzij nu eiser heeft verhinderd dat de huisarts een latere machtiging (namelijk die van 17 december 2015) met de moeder van eiser kon bespreken terwijl bovendien de redactie van de machtiging uit 2013 vragen oproept.

Dit brengt verder mee dat de huisarts vraagtekens zet bij de betrouwbaarheid en authenticiteit van de machtiging(en) met name nu de moeder van eiser meermaals te kennen heeft gegeven niet te willen worden overruled door eiser.

Daarbij kan (ook) niet de toestemming van de moeder van eiser worden verondersteld.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

Wilsonbekwaamheid erflater? Verzoek aan huisarts om medisch dossier na overlijden van moeder af te geven. Afwegen van belang geheimhoudingsplicht en recht op inzage.

De rechter oordeelt als volgt.

Bij de beoordeling van de vordering moet het volgende worden vooropgesteld.

Op grond van artikel 7:457 BW dient de hulpverlener ervoor zorg te dragen dat aan anderen dan de patiënt geen informatie over de patiënt, dan wel inzage in of afschrift van (delen van) diens dossier wordt verstrekt zonder toestemming van de patiënt.

Met dit belang van geheimhouding, dat ook geldt nadat de patiënt is overleden, mag niet lichtvaardig worden omgesprongen.

De geheimhouding beoogt niet alleen de belangen van de patiënt te beschermen maar ook het algemeen (maatschappelijk) belang van de toegankelijkheid van de zorg; een ieder moet zich vrijelijk tot hulpverleners kunnen wenden zonder ervoor beducht te hoeven zijn dat hun in vertrouwen verstrekte gegevens met derden worden gedeeld.

Op het beroepsgeheim kán slechts inbreuk worden gemaakt als de patiënt daartoe zijn/haar toestemming heeft gegeven dan wel indien er voldoende concrete aanwijzingen bestaan dat door het beroep van de hulpverlener op zijn/haar beroepsgeheim een ander rechtmatig/zwaarwegend belang zou kunnen worden geschaad (HR 20 april 2001, HR:2001:AB1210).

Als uitzondering op het beroepsgeheim geldt voorts het geval dat op grond van concrete aanwijzingen de toestemming van de patiënt moet worden verondersteld (KNMG-richtlijn “Omgaan met medische gegevens”).

De inbreuk op het beroepsgeheim mag echter niet verder gaan dan het belang van degene die om inzage/afschrift verzoekt rechtvaardigt.

Tussen partijen is niet in geschil dat de huisarts bij leven van moeder van eiser een deel van het medisch dossier aan haar heeft doen toekomen en dat deze stukken nu in handen zijn van eiser. Voorts staat vast dat het dossier van de eerdere huisarts A (dat de periode 2007-2013 beslaat) nog in bezit is van de huisarts.

De zoon stelt dat behoudens het dossier van huisarts A] tevens (onder meer) brieven aan specialisten in het door huisarts overgelegde dossier ontbreken. De huisarts betwist dit. Zij voert aan dat de brieven van specialisten zelf door eiser aan een collega van de huisarts zijn verstrekt en daarom niet aan eiser zijn overhandigd.

Nu eiser niet nader specificeert welke stukken (behoudens de brieven van specialisten) nog zouden ontbreken in het dossier en de huisarts gemotiveerd betwist dat het verstrekte dossier niet compleet zou zijn, staat vast dat het medisch dossier, behoudens voor zover dat ziet op het dossier van huisarts A, in handen is van eiser. Voor zover de vordering van eiser ziet op afgifte van andere stukken dan het dossier van huisarts A, zal de vordering worden afgewezen, nu eiser daarbij geen belang heeft.

De stelling van eiser dat zijn moeder bij leven toestemming aan eiser heeft gegeven voor inzage in, dan wel afschrift van haar medisch dossier na overlijden is onvoldoende onderbouwd.

Daartoe wordt overwogen dat, voor zover eiser zich op de machtigingen uit 2007 en 2015 beroept, deze niet zien op afgifte van het medisch dossier en derhalve zijn stelling dat hij is gemachtigd tot afgifte daarvan niet kunnen onderbouwen.

Als onderbouwing kan dan ook alleen worden aangemerkt de machtiging van 21 september 2013 waarin staat vermeld dat de moeder eiser machtigt om ‘na haar overlijden al haar medische gegevens, dossiers alsmede alle hiervoor niet genoemde medische informatie, gegevens en informatie van welke aard dan ook, op te vragen’.

Echter niet duidelijk is hoe deze machtiging zich verhoudt tot de overgelegde machtiging van 17 december 2015 die ziet op de medische behandeling en beslissingen dienaangaande maar waarin de machtiging tot het opvragen van het medische dossier niet wordt herhaald.

De vraag rijst dan ook of sprake is van een aanvullende machtiging of van een intrekking van de oude machtiging onder afgifte van een nieuwe.

Daarbij staat, als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken, vast dat moeder van eiser bij leven aan de huisarts blijk heeft gegeven niet door eiser overruled te willen worden en dat eiser heeft verhinderd dat zaken met betrekking tot de machtiging met van de moeder van eiser werd besproken.

Deze feiten en omstandigheden maken dat onvoldoende is onderbouwd dat moeder van eiser toestemming heeft gegeven voor afgifte van haar medische dossier aan eiser.

Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de stelling van eiser dat toestemming mag worden verondersteld.

Als onbetwist staat vast dat tussen eiser en zijn moeder sprake was van een nauwe familieband en dat eiser intensief betrokken was bij het ziekteproces en de verzorging van moeder. Deze omstandigheden maken echter niet dat toestemming kan worden verondersteld.

Voorts geldt dat indien vast zou staan dat moeder eiser heeft gemachtigd om al haar medische gegevens op te vragen dan wel indien toestemming hiertoe moet worden verondersteld, daaruit nog niet zonder meer volgt dat het gevorderde kan worden toegewezen.

Het rechtsgevolg van de toestemming is immers de ontheffing van de behandelaar van de geheimhoudingsplicht, niet een plicht tot afgifte van het medisch dossier. Eiser heeft niet gesteld wat zijn belang is bij afgifte van het gehele dossier van huisarts A] en waarom niet kan worden volstaan met een minder verstrekkende wijze van inzage in (de relevante stukken van) het dossier.

Wel is de rechter van oordeel dat als regel nabestaanden van een overleden patiënt er een rechtens te respecteren belang bij hebben om in geval van een vermoeden van medisch onjuist of onzorgvuldig handelen een klacht te kunnen indienen tegen een behandelaar van de overleden patiënt, wegens een vermeend door die behandelaar gemaakte medische fout. Dit is naar zijn aard een zwaarwegend belang, ook al zijn de motieven (mede) emotioneel.

Het belang van eiser is om de kwaliteit van het medisch handelen te laten toetsen door een (tucht)rechter.

Naar het oordeel van de rechter kan dit belang in voldoende mate worden gediend door een onafhankelijke (huis)arts het medisch dossier van moeder te laten inzien, met het verzoek antwoord te geven op concrete vragen van eiser ten aanzien van de behandeling van moeder.

Een verdergaand recht op inzage in/afschrift van het medisch dossier na overlijden zou het beroepsgeheim in belangrijke mate kunnen uithollen.

Dit komt het algemene belang dat met het medisch beroepsgeheim is gediend, namelijk het waarborgen van de onbelemmerde toegang tot de gezondheidszorg doordat de patiënt weet dat de informatie die hij/zij met zijn/haar hulpverlener binnenskamers wisselt, niet ten goede. De vordering zal dan ook in zoverre worden toegewezen.

Ten aanzien van de gevorderde dwangsom merkt de rechtbank het volgende op. Gezien hetgeen tijdens de comparitie heeft aangegeven is er geen aanleiding om te vermoeden dat de huisarts het medische dossier van moeder niet beschikbaar zal stellen aan een onafhankelijke (huis)arts, temeer nu dit aanbod door de huisarts zelf is gedaan. Om die reden zal de rechtbank dit deel van de vordering afwijzen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de verdeling van een erfenis, over de wilsonbekwaamheid van de erflater, over de nietigheid van een testament, over het recht op inzage van een medisch dossier of over de geheimhoudingsplicht van een arts, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.