Van onze advocaat kindsdeel. Het Gerechtshof Amsterdam heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag welk recht van toepassing was op de erfopvolging en het wettelijk erfdeel.

X maakt aanspraak op zijn wettelijk erfdeel, het zogenaamde kindsdeel.

X heeft y op 24 mei 2006 gedagvaard voor de rechtbank en heeft voor zover thans van belang gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat Nederlands erfrecht de vereffening van de nalatenschap van x beheerst en dat hij zijn wettelijk erfdeel geldend kan maken.

De grieven stellen de vraag naar het op de erfopvolging van x toepasselijke recht aan de orde en lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

Welk recht is van toepassing?

Het Haags Erfrechtverdrag 1989 (HEV) bepaalt welk recht van toepassing is op erfopvolging, aldus artikel 1 lid 1 HEV. Niet in geschil is dat erflater geen rechtskeuze heeft gemaakt als bedoeld in artikel 5 HEV. Het op de erfopvolging toepasselijke recht dient dan aan de hand van artikel 3 HEV te worden bepaald. Het aldus bepaalde erfrechtstatuut beheerst in beginsel de vererving van de gehele nalatenschap, waaronder het beschikbare deel, het wettelijk erfdeel en andere beperkingen van de testeervrijheid, zie artikel 7 lid 2 onder d HEV.

Artikel 3 HEV luidt als volgt:

1. De erfopvolging wordt beheerst door het recht van de Staat waar de overledene zijn gewone    verblijfplaats had op het tijdstip van zijn overlijden, indien hij op dat tijdstip de nationaliteit van die Staat bezat.

2. De erfopvolging wordt eveneens beheerst door het recht van de Staat waar de overledene zijn gewone verblijfplaats had op het tijdstip van zijn overlijden, indien hij daar gedurende een tijdvak van ten minste vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan zijn overlijden zijn verblijfplaats had. Echter, in uitzonderlijke omstandigheden, indien de overledene op het tijdstip van zijn overlijden kennelijk nauwere banden had met de Staat waarvan hij op dat tijdstip de nationaliteit bezat, is het recht van die Staat van toepassing.

3. Voor het overige wordt de erfopvolging beheerst door het recht van de Staat waarvan de overledene op het tijdstip van zijn overlijden de nationaliteit bezat, tenzij hij op dat tijdstip nauwere banden had met een andere Staat, in welk geval het recht van laatstbedoelde Staat van toepassing is.

De verwijzing naar het toepasselijke recht

De advocaat van Y stelt feiten en omstandigheden waaruit volgens haar afgeleid dient te worden dat erflater op het tijdstip van zijn overlijden niet zijn gewone verblijfplaats in Nederland had zodat volgens haar op grond van lid 1 van artikel 3 HEV niet bij Nederlands recht kan worden uitgekomen. De advocaat van x heeft deze feiten betwist, en biedt eveneens bewijs aan.

Het hof kan deze bewijsvraag in het midden laten. Indien juist is dat erflater op 26 oktober 2005 zijn gewone verblijfplaats niet in Nederland had, maar in het buitenland (zoals y stelt), wordt niet toegekomen aan de verwijzingsregel van lid 1, nu in dat geval niet is voldaan aan het tweede bestanddeel van deze bepaling, te weten dat erflater de nationaliteit bezat van de staat waar hij (volgens y) zijn gewone verblijfplaats had.

Ook de verwijzingsregel van lid 2 van artikel 3 HEV mist toepassing. De door y gestelde feiten en omstandigheden aangaande de woning te b, de frequentie van het verblijf aldaar en de activiteiten van erflater kunnen niet het oordeel dragen dat erflater gedurende ten minste vijf jaren onmiddellijke voorafgaande aan zijn overlijden onafgebroken zijn gewone verblijfplaats in het buitenland heeft gehad.

Het op de nalatenschap toepasselijk recht dient derhalve aan de hand van lid 3 van artikel 3 HEV te worden bepaald. Lid 3 verwijst als hoofdregel naar Nederlands recht als erfstatuut, nu erflater uitsluitend de Nederlandse nationaliteit bezat. De advocaat van y beroept zich op de uitzondering op deze aanknoping op de grond dat erflater op 26 oktober 2005 nauwere banden had met het andere land dan met Nederland. De door y daartoe gestelde feiten zijn echter ontoereikend voor de toepassing van deze uitzondering. Op grond van in elk geval de volgende vaststaande feiten en omstandigheden neemt het hof aan dat erflater op 26 oktober 2005 een zodanig reële band met Nederland had dat bij zijn nationaliteit kan worden aangeknoopt: de erflater stond sedert 31 januari 2002 bij de GBA in Nederland ingeschreven en erflater beschikte sedert februari 2004 weer over een eigen woning in Nederland en verbleef daar ook regelmatig.

Hiertegenover leggen de door y gestelde feiten en omstandigheden aangaande de binding aan het buitenland, onder andere het huis in b, het regelmatige ,maar niet onafgebroken, het verblijf (vanaf 1978) in dat huis en het opmaken van een testament aldaar, niet een zodanig gewicht in de schaal dat een nauwere band van erflater met dat land dient te worden aangenomen.

Het voorgaande brengt mee dat Nederlands erfrecht van toepassing is op de erfopvolging. Naar Nederlands erfrecht heeft x een wettelijk erfdeel, het zogenaamde kindsdeel. Evenals de rechtbank zal het hof zich niet uitlaten over de vraag of is voldaan aan de voorwaarden op grond van Nederlands erfrecht om dit wettelijk erfdeel ook geldend te kunnen maken.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u vragen over het wettelijk erfdeel, over de verdeling of afwikkeling van een erfenis of over het internationale erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel? Bezoek dan onze pagina kindsdeel. Klik dan hier.