Van onze advocaat erfrecht. De advocaat-Generaal bij het Parket bij de Hoge Raad heeft enige tijd geleden uitgebreid de vereffening in het erfrecht besproken.

Verplichting tot wettelijke vereffening bij beneficiaire aanvaarding

Beneficiaire aanvaarding door één of meer erfgenamen leidt ertoe dat de nalatenschap volgens de wettelijke regels moet worden vereffend (art. 4:202 lid 1 sub a BW).

De ratio voor de verplichting tot vereffening bij beneficiaire aanvaarding is in de parlementaire geschiedenis als volgt omschreven:

“beneficiaire aanvaarding heeft tot gevolg dat het vermogen van de erflater voorshands afgescheiden blijft van het overig vermogen van de erfgenaam of de erfgenamen en dat zij in beginsel niet verplicht zijn de schulden der nalatenschap ten laste van hun overig vermogen te voldoen.

Dienovereenkomstig hebben de schuldeisers van de nalatenschap dan alleen verhaal op de goederen der nalatenschap en zij kunnen niet, ieder voor zich, goederen der nalatenschap uitwinnen. Het voor de hand liggend complement van deze regels is, naar geldend recht en naar het ontwerp, dat de nalatenschap met inachtneming van bepaalde voorschriften moet worden vereffend, en wel in principe door de erfgenamen zelf.”

Niet in alle gevallen bestaat bij beneficiaire aanvaarding door een of meer erfgenamen een verplichting tot vereffening.

In de eerste plaats hoeft er niet vereffend te worden indien er een tot voldoening van de opeisbare schulden en legaten bevoegde executeur is, en deze aan kan tonen dat de goederen der nalatenschap ruimschoots toereikend zijn om alle schulden van de nalatenschap te voldoen (art. 4:202 lid 1 sub a BW).

Op grond van de wetsgeschiedenis wordt in de literatuur algemeen aangenomen dat de ‘ruimschoots- toereikend-verklaring’ van rechtswege werkt. Dat mag worden afgeleid uit de passage in de wettekst dat geschillen dienaangaande worden beslist door de kantonrechter.

In de tweede plaats kan door de kantonrechter aan de wettelijke vertegenwoordiger van een erfgenaam die voor deze beneficiair heeft aanvaard, ontheffing worden verleend van de verplichting om te vereffenen volgens de wet, indien het saldo van de nalatenschap positief is (art. 4:202 lid 2 BW).

In de derde plaats bestaat onder omstandigheden geen verplichting tot vereffening volgens de wet, indien de nalatenschap is verdeeld overeenkomstig de wettelijke verdeling in de zin van art. 4:13 BW (art. 4:202 lid 3 BW).

Lichte vereffeningsprocedure

Bij beneficiaire aanvaarding door een of meer erfgenamen is de hoofdregel dat alle erfgenamen vereffenaar zijn (art. 4:195 lid 1 BW).

De erfgenamen oefenen hun bevoegdheden als vereffenaar in beginsel tezamen uit (art. 4:198 BW). Er is dan dus geen door de rechtbank benoemde vereffenaar (op de voet van art. 4:203, 204 of 205 BW).

De wet kent drie gradaties van vereffening: de gewone vereffening, de lichte vereffening en de zware vereffening. Wanneer de erfgenamen zelf optreden als vereffenaar, kan in beginsel volstaan worden met een lichte vereffeningsprocedure (art. 4:221 lid 1 BW).

De lichte vereffeningsprocedure verplicht slechts tot het opmaken van een onderhandse of notariële boedelbeschrijving (art. 4:211 lid 3 BW), het per brief oproepen van de bekende schuldeisers en het eventueel melden van de onbekendheid van een adres (art. 4:214 lid 2 BW) en, het slotstuk, de voldoening van de schuldeisers.

De verplichtingen op grond van art. 4:214 lid 1 BW (oproepen schuldeisers), art. 4:214 lid 5 BW (ter inzage legging lijst schuldeisers) en art. 4:218 BW (neerlegging rekening en verantwoording en uitdelingslijst) gelden bij een lichte vereffening alleen indien de kantonrechter dit bepaald heeft. Ook kan de kantonrechter de erfgenamen ontheffen van de verplichting om de boedelbeschrijving ter inzage te leggen (art. 4:211 lid 4 BW). De vereffenaars kunnen bij de lichte vereffening de vereffening als voltooid beschouwen (en desgewenst tot verdeling overgaan) zodra zij de hun bekende schuldeisers hebben tevredengesteld.

In een lichte vereffeningsprocedure kunnen aldus de volgende stappen worden onderscheiden:
– het opmaken van een boedelbeschrijving (art. 4:211 lid 3 BW);

– het per brief oproepen van de bekende schuldeisers tot indiening van hun vorderingen (art. 4:214 lid 1 en lid 2 BW);

– het te gelde maken van goederen van de nalatenschap voor zover dit voor de voldoening van de schulden der nalatenschap nodig is (art. 4:215 lid 1 BW);

– het voldoen van de schuldeisers (art. 4:220).

De vereffening neemt een einde nadat zij is voltooid en de vereffenaar het overschot in overeenstemming met art. 4:226 lid 1 BW heeft afgegeven.

Hoofdregel: eerst vereffenen en dan verdelen

Het belangrijkste doel van de wettelijke vereffeningsprocedure is het waarborgen van de positie van de schuldeisers van de nalatenschap, zoals blijkt uit de aangehaalde passage uit de wetsgeschiedenis.

De wettelijke vereffening vindt dan ook primair plaats in het belang van de schuldeisers der nalatenschap.

Daarnaast dient de vereffenaar zich echter ook te richten op de belangen van de erfgenamen.14 Wanneer de vereffenaars tevens de erfgenamen zijn, zal dat laatste geen bijzondere aandacht behoeven.

Omdat de wettelijke vereffeningprocedure een waarborg vormt voor de schuldeisers van de nalatenschap, ligt het voor de hand dat de goederen van de nalatenschap niet worden verdeeld voordat de vereffening is afgerond.

Dit is dan ook het wettelijke uitgangspunt, hoewel het niet met zoveel woorden in de wet is neergelegd. Het wordt echter afgeleid uit art. 4:222 BW in verbinding met art. 3:178 BW. Dat eerst vereffend moet worden voordat verdeeld kan worden, is ook af te leiden uit het systeem van de wet, waarin afdeling, ‘Vereffening van de nalatenschap’, voorafgaat aan afdeling, ‘Verdeling van de nalatenschap’. Het blijkt bovendien uit art. 4:203 lid 1 sub b BW: verdeling vóór afronding van de vereffening is een grond voor benoeming van een vereffenaar door de rechter. De minister lichtte deze bepaling als volgt toe:“ Immers in het algemeen behoren de erfgenamen de vereffening van een beneficiair aanvaarde nalatenschap te voltooien, alvorens haar te verdelen”. Zie ook het Handboek Boedelafwikkeling, waar Kolkman opmerkt:

“De vereffening behoort zich vóór de verdeling te voltrekken. Een schuldeiser van de boedel heeft recht op de juiste chronologie: met de verdeling ziet hij immers de nalatenschap als executieobject ten onder gaan.”

Dit alles leidt tot de conclusie dat als regel geldt dat geen verdeling behoort plaats te vinden voordat de vereffening is voltooid. Ook in de feitenrechtspraak wordt dit algemeen aangenomen.

Verdeling onder voorwaarde van voltooiing vereffening

Dat eerst vereffend moet worden voordat verdeeld kan worden, laat onverlet de mogelijkheid om onder de voorwaarde van vereffening de nalatenschap te verdelen. De minister wees hierop in de toelichting op art. 4:222 BW: “De artikelen 177-188 betreffende verdeling komen zoals hierboven gezegd niet voor toepassing bij vereffening in aanmerking; overigens zal een vereffening er niet aan in de weg hoeven staan dat een vordering tot verdeling wordt toegewezen onder opschortende voorwaarde van voltooiing van de vereffening.

Artikel 189 regelt welke bepalingen op bepaalde gemeenschappen kunnen worden toegepast, en bevat geen regels die tijdens vereffening van belang zijn. De artikelen 190-193 betreffende beschikking over en verhaal op gemeenschapsgoederen, aandelen in gemeenschapsgoederen en aandelen in de gemeenschap, missen betekenis naast artikel 4.5.3.8 lid 2 en 4.5.3.14. Artikel 194 lid 1 (boedelbeschrijving) is overbodig naast artikel 4.5.3.8 lid 3. De bepalingen van de artikelen 195-200 tenslotte, betreffende nietige en vernietigbare verdelingen, komen niet voor toepassing tijdens vereffening in aanmerking nu verdeling eerst ná de vereffening aan de orde komt.”

Uit deze laatste volzin blijkt wederom dat het wettelijke systeem berust op eerst vereffenen en daarna verdelen.

 Voortijdige partiële verdeling

De wet bevat geen duidelijk en/of expliciet verbod op het vroegtijdig, namelijk vóór voltooiing van de vereffening, partieel verdelen van een nalatenschap.

Reinhartz merkt op dat het in de praktijk niet ongebruikelijk is dat al tijdens de vereffening uitkeringen in geld of goederen uit de nalatenschap worden gedaan, vooral als de nalatenschap een voldoende saldo heeft. Volgens haar zorgt de regeling van art. 4:184 lid 3 BW ervoor dat de schuldeisers hiervan niet de dupe worden. Op grond van deze bepaling kunnen schuldeisers, wanneer er een uitkering heeft plaatsgevonden aan een erfgenaam die de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard, zich op het vermogen van die erfgenaam verhalen.

Ook volgens Perrick kan al tijdens de vereffening worden overgegaan tot partiële verdeling. Bij een informele vereffening staat volgens hem hoe dan ook buiten twijfel dat een partiële verdeling gedurende de vereffening met instemming van alle deelgenoten mogelijk is. Ook tijdens een wettelijke vereffening is volgens hem echter partiële verdeling mogelijk.

Perrick baseert dit op art. 4:211 lid 2 BW, waarin is neergelegd dat erfgenamen tijdens de vereffening beschikkingsdaden kunnen verrichten, zij het slechts met medewerking van de vereffenaar dan wel met machtiging van de kantonrechter. Nu verdeling van een goed ook een vorm van beschikken over het goed is, valt ‘verdeling van een goed’ ook onder het bereik van art. 4:211 lid 2 BW, zo stelt Perrick. Dat in het algemeen geldt dat vereffening vooraf dient te gaan aan verdeling, doet daaraan volgens hem niet af. De laatste zin van de hiervoor geciteerde passage uit de wetsgeschiedenis acht Perrick niet overtuigend, omdat daarin geen aandacht is besteed aan de tweede zin van art. 4:211 lid 2 BW, waarin een vorm van voortijdige verdeling is geregeld. Voor een voortijdige partiële verdeling (tijdens de vereffening) is echter wel medewerking van de vereffenaar dan wel machtiging van de kantonrechter nodig.

Dit doet de vraag rijzen of in het geval de erfgenamen zelf optreden als vereffenaar, zij zichzelf toestemming kunnen geven om tot (partiële) verdeling over te gaan. Die vraag beantwoordt Perrick ontkennend. Er is dan namelijk sprake van een tegenstrijdig belang tussen de hoedanigheid van de erfgenamen als erfgenaam/deelgenoot, en die van de erfgenamen als vereffenaar. Uit art. 3:68 BW volgt dat de erfgenamen in zo’n geval niet bevoegd zijn om tot verdeling over te gaan. Indien zij dat toch doen, is sprake van een nietige verdeling. Het enige wat erfgenamen in zo’n geval kunnen doen, is toestemming van de kantonrechter vragen voor de (partiële) verdeling. Zie in deze zin ook Kolkman:

“Uit artikel 4:211 lid 2 moet niet worden opgemaakt dat wanneer de erfgenamen als gezamenlijke vereffenaars een beschikkingshandeling verrichten, zij daarvoor machtiging van de kantonrechter behoeven. Wensen de erfgenamen tijdens de vereffening beschikkingshandelingen te verrichten in hun hoedanigheid van erfgenamen (derhalve niet in het kader van de vereffening), dan is de machtiging van de kantonrechter wel vereist (denk hierbij bijvoorbeeld aan een – eventueel partiële – verdeling). Die laatste situatie staat gelijk aan beschikkingshandelingen door erfgenamen tijdens een vereffening door een gerechtelijk benoemde vereffenaar; ook dan hebben de erfgenamen de machtiging van de kantonrechter nodig (dan wel medewerking van deze vereffenaar).”

Tuinstra leidt uit de hier beschreven opvattingen van Perrick en Kolkman af dat op het moment dat de belangentegenstelling is verdwenen tussen erfgenamen in hun hoedanigheid van erfgenaam/deelgenoot en die van vereffenaar, rechtsgeldig verdeeld kan worden. Dit is het geval indien de erfgenamen hun plicht als vereffenaars hebben volbracht, dat wil zeggen als zij de schuldeisers van de nalatenschap hebben voldaan.

Nietige voortijdige verdeling als erfgenamen zelf vereffenaar zijn

In de zaak die leidde tot HR 18 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:454 (81 RO) traden de erfgenamen ten tijde van de verdeling zelf op als vereffenaars. In zijn conclusie voor het arrest betoogt A-G Timmerman, onder verwijzing naar Perrick, dat als al zou moeten worden aangenomen dat in het algemeen een nalatenschap rechtsgeldig (partieel) kan worden verdeeld voordat de vereffening is voltooid, de erfgenamen tevens vereffenaars daartoe zelf in ieder geval niet bevoegd zijn.

Ook Timmerman is van mening dat op grond van art. 3:68 BW – dat in art. 4:215 lid 4 BW ook op de vereffenaar van een nalatenschap van toepassing verklaart – sprake is van een nietige rechtshandeling. Het oordeel van de Ondernemingskamer dat de verdeling door de erven in die zaak geen rechtsgevolg heeft gehad, achtte Timmerman dan ook juist. De Hoge Raad heeft de zaak afgedaan met art. 81 RO. De vraag of een erfgenaam die tevens vereffenaar is mét rechterlijke toestemming bevoegd is om voor voltooiing van de vereffening tot partiële verdeling over te gaan, is niet beantwoord.

Samenvatting

Het voorgaande laat zich als volgt samenvatten.

Bij beneficiaire aanvaarding bestaat een wettelijke verplichting tot vereffening, zij het dat doorgaans volstaan kan worden met een lichte vorm van vereffening.

De erfgenamen kunnen zelf optreden als vereffenaar. De verplichting tot vereffening bestaat niet (onder meer) als de executeur een ‘ruimschoots toereikend verklaring’ afgeeft. In beginsel geldt dat als er een verplichting tot vereffening van de nalatenschap bestaat, de vereffening moet zijn voltooid voordat aan verdeling kan worden toegekomen.

Dit volgt uit het systeem van de wet en heeft tot doel de schuldeisers van de nalatenschap te beschermen. Aannemelijk is echter dat als de nalatenschap een voldoende saldo heeft, zodat niet gevreesd hoeft te worden voor benadeling van schuldeisers, ook reeds tijdens de vereffening partieel kan worden verdeeld.

Als de erfgenamen optreden als vereffenaar is daarvoor rechterlijke toestemming nodig, om te voorkomen dat sprake is van een tegenstrijdig belang. Daarnaast bestaat de mogelijkheid dat de nalatenschap verdeeld wordt onder de opschortende voorwaarde van vereffening.

Wilt u de gehele conclusie bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de verdeling en vereffening van een nalatenschap, over de vereffening van een erfenis bij beneficiaire aanvaarding, de lichte vereffening, of over de partiële of voortijdige verdeling van een nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat erfrecht op 020-3980150.