Op 9 mei 2017 heeft het Gerechtshof Amsterdam besloten dat de uitkering uit een levensverzekering op grond van redelijkheid en billijkheid niet diende plaats te vinden aan de begunstigden.

Erflater woonde samen met zijn partner en had twee dochters met wie hij geen contact had. ERflater had zijn dochters onterfd. Op zijn verzekeringspolissen stond zijn echtgenote/weduwe als eerste begunstigde. Omdat erflater echter niet was gehuwd, waren zowel de verzekeraar als de Rechtbank Haarlem van mening dat de uitkering diende plaats te vinden aan de beide dochters, die tweede begunstigden waren.

Het Hof kwam tot dit oordeel omdat zij meende dat het een vergissing van erflater moest zijn geweest dat hij niet zijn partner had begunstigd. Erflater moet in de veronderstelling zijn geweest dat de verzkeringsuitkering aan zijn partner zou toekomen en dus was er voor hem ook geen reden om de begunstiging te wijzigen. Het Hof is van mening dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was dat de dochters zich op de begunstiging hadden beroepen.

Het wordt interessant om te zien of verzekeringsmaatschappijen zich al dan niet kritisch gaan uitlaten over deze uitspraak van het Hof. Het lijkt zeer onwenselijk wanneer begunstigingen op het moment van uitkering alsnog worden onderworpen aan de toets van redelijkheid en billijkheid.

Gerechtshof Amsterdam 9 mei 2016