Van onze advocaat kindsdeel. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over een testamentaire tweetrapsmaking en de fideï-commis de residuo. Verteringsbevoegdheid? Voorschot?

Met de eerste grief komen appellanten op tegen het oordeel van de rechtbank dat appellanten niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen.

Bedoeld oordeel is gegrond op de overwegingen dat – naar die overwegingen samengevat kunnen worden weergegeven – de erflaatster ook met het oog op het ten tweede male openvallen van haar nalatenschap door het eindigen van de rechten van de bezwaarde erfgenaam, zijnde C, de benoeming van een executeur heeft gedaan, die appellanten als erfgenamen met uitsluiting van henzelf in en buiten rechte vertegenwoordigt.

Tweetrapsmaking. Vordering tot afgifte door erfgenamen. Fideï-commis de residuo. Verteringsbevoegdheid? Voorschot?

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Blijkens de rechtsoverweging van het genoemde tussenarrest van 13 juni 2017 staat vast dat bij de verdeling van de nalatenschap aan de bezwaarde erfgenaam een bedrag van € 37.572,16 is toegedeeld, terwijl niet is gesteld of anderszins is gebleken dat toen of nadien nog van niet-voldane schulden van de nalatenschap sprake was.

Het hof moet het daarom ervoor houden dat, gelet op het bepaalde in art. 4:141 lid 1 BW, voor een executeur in de ten tweede male opengevallen nalatenschap van de erflaatster geen taak meer was weggelegd, wat er verder ook zij van het oordeel van de rechtbank dat ook in dit opzicht van een executeursbenoeming sprake zou zijn omdat uit het uiterste wil niet zou blijken dat de executele voor één of meerdere overgangen geldt.

De volgende grief keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat – naar dit oordeel zakelijk kan worden weergegeven – een verdere inhoudelijke beoordeling van het geschil achterwege kan blijven.

Daaromtrent overweegt het hof het volgende.

De primaire vordering van appellanten tot betaling van een bedrag van € 30.000,– is gericht tegen geïntimeerde en wel op de grondslag dat, kort gezegd, sprake is van een onverschuldigde betaling van genoemd bedrag aan geïntimeerde.

In hoger beroep is vast komen te staan, dat het bij de litigieuze betaling niet gaat om een betaling van de rechtsvoorgangster van appellanten, zijnde de erflaatster, en evenmin om een betaling door henzelf aan geïntimeerde.

Dit betekent dat deze vordering tegen geïntimeerde niet toewijsbaar is.

De subsidiaire vordering van appellanten is gericht tegen geïntimeerde en wel, naar het hof hun stellingen verstaat, op twee, alternatieve, grondslagen:

De eerste alternatieve grondslag van deze vordering behelst de stelling dat ten onrechte een bedrag van € 30.000,– aan de nalatenschap van de erflaatster door of namens C is onttrokken.

Het tegen die stelling gerichte verweer van geïntimeerde houdt in de kern in dat in het kader van het door de erflaatster ingestelde fideï-commis de residuo sprake is vertering van bedoeld bedrag, tot welke vertering de bezwaarde erfgenaam bevoegd was.

Het hof oordeelt daaromtrent als volgt.

Voorop gesteld moet worden dat ingeval van een fideï-commis de residuo, zoals te dezen het geval is, aan de bezwaarde erfgenamen de bevoegdheid toekomt tot vervreemding en vertering als bedoeld in art. 3:215 BW.

Deze bepaling is ingevolge het bepaalde in art. 4:138 lid 2 BW bij wijze van dwingend recht op een fideï-commis van overeenkomstige toepassing.

Het hof zal daarom thans onderzoeken of het door geïntimeerde gevoerde verweer hout snijdt.

Het hof is van oordeel dat dit niet het geval is. Met de stellingen dat C krachtens een met geïntimeerde aangegane aannemingsovereenkomst gehouden zou zijn om een bedrag van € 30.000,- bij wijze van voorschot aan geïntimeerde te betalen en wel reeds vóór de ontvangst van de factuur, zoals desgevraagd ter gelegenheid van de comparitie-zitting volgens geïntimeerde ook zou zijn geschied, heeft geïntimeerde naar het oordeel van het hof – mede in het licht van de omstandigheid dat een dergelijke gang van zaken tussen een (particuliere) aanbesteder en een aannemer hoogst ongebruikelijk is – haar verweer niet voldoende onderbouwd.

Geïntimeerde heeft ter zitting bij het hof overigens ook geen voorbeeld kunnen geven van een andere particulier van wie hij op vergelijkbare wijze een (aanzienlijk) voorschot kreeg zonder factuur.

Het hof moet daarom aan het verweer van geïntimeerde voorbijgaan.

De subsidiaire vordering van appellanten is derhalve toewijsbaar met uitzondering van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten, die als niet onderbouwd moeten worden aangemerkt.

Het voorgaande brengt mee dat de tweede, alternatieve, grondslag, te weten ongerechtvaardigde verrijking, geen bespreking meer behoeft.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over het kindsdeel of over de legitieme, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over de uitleg van een testament of over de mogelijkheden van een voorschot uit een erfenis, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.