Van onze advocaat verdeling erfenis. De Rechtbank Overijssel heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de vraag of een erfgenaam dient mee te werken aan de verkoop van een bedrijfspand verkregen uit de nalatenschap.

De vordering is gebaseerd op artikel 3:174 BW.

Dit artikel bepaalt dat machtiging tot te gelde maken van een gemeenschappelijk goed kan worden verleend ter voldoening van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld of om andere gewichtige redenen.

Een dergelijk voorziening kan ook in kort geding worden verleend (vergelijk HR 22 juni 2002, NJ 2002/420).

De noodzaak om tot een behoorlijk verdeling te geraken is niet een zodanige gewichtige reden, maar het beschamen door een deelgenoot van het vertrouwen dat hij zou meewerken aan verkoop kan wel als zodanig gewichtige reden worden aangemerkt.

M c.s. hebben aangevoerd dat sprake is van een gewichtige reden, omdat M in de veronderstelling was dat gedaagde zou meewerken aan de levering, omdat zij niet alleen medewerking verleende aan de bezichtigingen van het bedrijfspand, maar daarnaast via de aan haar gelieerde vennootschap A ook heeft ingeschreven op het bedrijfspand.

Eerst nadat was gebleken dat gedaagde niet het hoogste bod had uitgebracht, heeft gedaagde haar medewerking aan de levering geweigerd, wat volgens eisers onrechtmatig, althans misbruik van bevoegdheid is.

M c.s. hebben in dit verband opgemerkt dat gedaagde meerdere keren is gewezen op de mogelijkheid om zich tot de kantonrechter te wenden, maar dit heeft nagelaten.

M c.s. stellen zich dan ook op het standpunt dat zij er op mochten vertrouwen dat gedaagde zou meewerken aan verkoop en levering.

M c.s. hebben verder gesteld dat het pand door het tijdsverloop aan waardevermindering onderhevig is, dat het pand niet is verzekerd en dat de kosten voor nutsvoorzieningen niet langer kunnen worden voldaan.

Gedaagde heeft aangegeven dat de stelling van M c.s. om niet langer in een onverdeelde nalatenschap van vader te willen blijven en op korte termijn tot een vereffening van de nalatenschap van moeder te willen komen, maar dit door de weigerachtige houding van gedaagde vertraagd wordt met als gevolg dat zij niet over hun erfdelen kunnen beschikken, niet als gewichtige reden kan worden beschouwd.

Gedaagde heeft verder gesteld dat zij in 2016 te kennen heeft gegeven het bedrijfspand te willen overnemen tegen betaling van de taxatiewaarde, verminderd met de kosten van de sanering.

Gedaagde heeft dan ook aangevoerd dat het pand al in 2016 had kunnen worden toebedeeld en geleverd had kunnen worden, waarna gedaagde had kunnen zorgdragen voor het onderhoud (en behoud) van het bedrijfspand.

Volgens gedaagde kan niet worden geconcludeerd dat vanwege het verval van het pand en het aflossen van de hypotheekschuld van € 2.541,19, het bedrijfspand met spoed te gelde moet worden gemaakt.

Gedaagde heeft verder gesteld meerdere malen te hebben aangegeven te willen meedenken in een oplossing voor de eventuele doorlopende kosten, die direct betaald moeten worden.

Erfgenaam dient mee te werken aan de verkoop van een bedrijfspand verkregen uit de nalatenschap. Dwangsom. Vereffening en het te gelde maken van goederen uit de nalatenschap.

De rechter oordeelt als volgt.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter moet de vordering worden toegewezen en hij acht daarvoor de volgende omstandigheden van belang.

Het gaat in onderhavige zaak om het bedrijfspand. Het bedrijfspand behoort tot de onverdeelde gemeenschap. De helft van de onverdeelde gemeenschap valt in de nalatenschap van moeder en het andere deel valt in de nalatenschap van vader.

Toen moeder in 2015 overleed, werden gedaagde en eisers als erfgenaam mede-eigenaar van de andere helft van het pand.

Op dat moment waren gedaagde en eisers aldus ieder gerechtigd tot 1/3 deel van (de waarde van) het bedrijfspand, waarbij zij de mogelijkheid hadden om het pand aan één van de deelgenoten toe te bedelen en de overige deelgenoten een onderbedelingsvordering te betalen of het pand aan een derde te verkopen en ieder voor 1/3 aanspraak te maken op de verkoopopbrengst.

Gedaagde en eisers hebben getracht tot een afwikkeling te komen van de nalatenschap, maar dat is niet gelukt.

Gedaagde heeft kenbaar gemaakt het bedrijfspand over te willen nemen met uitbetaling van.

Echter is discussie ontstaan over de waarde van het bedrijfspand en de kosten van de sanering in verband met bodemvervuiling.

Ondanks dat gedaagde en eisers de mogelijkheid hebben gehad om de afwikkeling zelf te doen, hebben zij in de afgelopen jaren hierover geen overeenstemming kunnen bereiken.

Omdat eisers en gedaagde niet gezamenlijk in staat zijn geweest de nalatenschap te vereffenen, is op 18 september 2017 door de rechtbank M q.q. als vereffenaar van de nalatenschap van moeder benoemd.

M is als vereffenaar van de nalatenschap van moeder op grond van artikel 4:215 BW bevoegd over de helft van de onverdeelde gemeenschap te beschikken.

Gedaagde en eisers zijn ieder voor 1/3 gedeelte bevoegd over de nalatenschap van vader te beschikken.

Een vereffenaar heeft onder andere als taak om de goederen van de nalatenschap te beheren en te vereffenen( te gelde te maken), voor zover dit voor de voldoening van de schulden van de nalatenschap nodig is.

Over de keuze van de te gelde te maken goederen en de wijze van de tegeldemaking treedt een vereffenaar zoveel mogelijk in overleg met de erfgenamen.

Voldoende aannemelijk is geworden dat er onvoldoende (liquide) middelen beschikbaar zijn voor adequate verzekering en/of beveiliging van het bedrijfspand en bovendien diverse (zakelijke) lasten en verplichtingen niet kunnen worden voldaan, waardoor de schulden oplopen.

Uit de overgelegde producties blijkt dat M in november 2017 de erven heeft gevraagd of zij bereid zijn een bedrag te storten in verband met het voldoen van onder andere de verzekeringspremies.

Nu de erven hiermee niet hebben ingestemd, althans gedaagde heeft ter zitting verklaard dat zij wilde meedenken over een oplossing, maar daarvoor wel bepaalde zekerheid terug wilde, was het nodig om de kosten te stoppen en om de schulden te kunnen voldoen, het bedrijfspand te gelde te maken.

Volgens gedaagde is M voorbij gegaan aan zijn plicht om eerst te bezien of bestanddelen van de nalatenschap verdeeld kunnen worden onder de erfgenamen, alvorens deze aan een derde te verkopen.

Gedaagde heeft gesteld dat Marres q.q. eerst had moeten bezien of dit bestanddeel van de nalatenschap kon worden toebedeeld aan één van de erfgenamen, tegen betaling van de taxatiewaarde.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft M dat ook gedaan. Voor alle partijen was duidelijk dat gedaagde het pand in de familie wil houden.

Ook M was hiervan op de hoogte. Echter de bieding van gedaagde, althans van A, van rond de € 200.000,00, was volgens zowel M als eisers te laag.

Om die reden is eind december 2017 door hen besloten om het pand te verkopen via de makelaar.

In tegenstelling tot hetgeen gedaagde heeft gesteld, is de voorzieningenrechter van oordeel dat M wel heeft bezien of het bedrijfspand tegen betaling van de taxatiewaarde kan worden toebedeeld aan één van de erfgenamen. Uit de e-mail van 14 december 2017 blijkt dat M gedaagde heeft laten weten dat haar eerder gedane bod te laag is en dat een eventueel nieuw bod tegen de taxatiewaarde aan zal moeten zitten.

M heeft in voormelde e-mail eveneens aangegeven dat de makelaar op korte termijn een update van het pand in de huidige staat wil maken en een verkoopplan. Blijkens het advies van de makelaar wordt een vraagprijs van € 400.000,– k.k. gehanteerd en is de verwachte opbrengst € 365.000,– k.k. Uit de e-mail van 14 januari 2018 blijkt dat gedaagde op 18 december 2017 aanwezig is geweest bij de bezichtiging van het pand om een hernieuwde taxatie te laten plaatsvinden en dat zij toen opnieuw haar interesse in het pand heeft kenbaar gemaakt en wel tegen de taxatiewaarde verminderd met de saneringskosten.

Dit bod is door M afgewezen, omdat volgens M de makelaar te kennen heeft gegeven dat voor het huidige gebruik en de huidige bestemming van het pand sanering niet acuut noodzakelijk is. Dat sanering niet acuut noodzakelijk is, blijkt ook wel uit de brief van 23 februari 2015 van de gemeente. Dit was ook gedaagde bekend. Daar komt bij dat gedaagde heeft nagelaten, hoewel zij door M daarop meerdere malen is gewezen, haar bod op grond van artikel 4:215 lid 2 BW voor te leggen aan de kantonrechter. Omdat uit de stukken niet voldoende is gebleken dat gedaagde voor 9 februari 2018 haar bod heeft verhoogd tot de taxatiewaarde zonder daaraan de voorwaarde van sanering te verbinden, heeft M in alle redelijkheid kunnen beslissen het pand te gelde te maken.

Gedaagde heeft gesteld dat M voorbij is gegaan aan het feit dat het bedrijfspand tevens in de nalatenschap van vader valt, waardoor de erven van vader mede-eigenaren zijn van het bedrijfspand en M ten aanzien van dat gedeelte niet beschikkingsbevoegd is om koopovereenkomst te sluiten ex artikel 3:84 BW.

Dat M over het hoofd heeft gezien dat het bedrijfspand deels in de nalatenschap van vader valt, en hij hierover niet beschikkingsbevoegd is, acht de voorzieningenrechter aannemelijk.

Echter met de stelling van gedaagde dat de erven van vader volledig buitenspel zijn gezet, gaat de voorzieningenrechter niet mee.

De erven van vader en moeder zijn dezelfde en hebben vanaf het overlijden van moeder in 2015 de mogelijkheid gehad tot een afwikkeling te komen, waaronder begrepen toebedeling van het bedrijfspand.

In afgelopen jaren hebben de erven daarover geen overeenstemming kunnen bereiken.

Eisers hebben hun toestemming en medewerking verleend voor het verkoopproces. Dat gedaagde nimmer een volmacht heeft verstrekt c.q. opdracht gegeven de verkoop namens haar als erfgenaam van vader te begeleiden is juist, maar maakt dat niet anders.

Alle omstandigheden in samenhang bezien maken dat het belang van M c.s. prevaleert boven het belang van gedaagde.

De voorzieningenrechter is het met M eens dat het bedrijfspand tegen ogenschijnlijk een zeer goede prijs van € 455.000,00 onder zeer gunstige voorwaarden kan worden verkocht, waarbij de schulden kunnen worden voldaan en de erfdelen kunnen worden uitgekeerd.

De eerdere biedingen van gedaagde voorafgaand aan het verkoopproces staan niet in verhouding met de gereduceerde vraagprijs.

Daar komt bij dat de waarde van het bedrijfspand door tijdsverloop in verminderd en het bedrijfspand niet is verzekerd.

De stelling van gedaagde dat het pand in 2016 al toebedeeld en geleverd had kunnen worden, waarna gedaagde had kunnen zorgdragen voor het onderhoud (en behoud) van het bedrijfspand, gaat niet op, omdat de erven geen overeenstemming hebben kunnen bereiken over deze toebedeling.

Daar komt bij dat gedaagde geen van haar eerdere biedingen aan de kantonrechter heeft voorgelegd.

Dat betekent dat gedaagde dient mee te werken aan de verkoop van het bedrijfspand aan B. De machtiging te gelde maken is derhalve toewijsbaar.

Omdat het gevorderde, dat erop ziet dat dit vonnis in de plaats zal treden van vereiste medewerking en verkoop en levering van het bedrijfspand, zal worden toegewezen, is er geen aanleiding voor het opleggen van een dwangsom.

De dwangsom ten aanzien van het gevorderde om het bedrijfspand te ontruimen zal worden beperkt en gemaximeerd.

In de omstandigheid dat partijen familie van elkaar zijn, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over de taken en bevoegdheden van een vereffenaar of van een executeur, over het te gelde maken van onroerend goed uit een nalatenschap of over de verdeling van een erfenis door de rechter, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.