Van onze advocaat erfrecht. De Rechtbank Limburg heeft op 16 augustus 2017 een vordering tot het verlenen van toegang tot de crematie van grootmoeder afgewezen, de subsidiaire vordering om voorafgaand aan crematie afscheid te mogen nemen van grootmoeder echter toegewezen. Het weigeren van de bezorger van de uitvaart om eisers in staat te stellen om afscheid te nemen van hun grootmoeder is onrechtmatig.

Hierna zullen de vorderingen van eisers voor zover zij zich tegen gedaagde richten inhoudelijk worden beoordeeld. Zij vorderen primair om aan hen toegang te verlenen tot de crematie van moeder die plaatsvindt op 17 augustus 2017. Uit de gestelde feiten in de dagvaarding kan worden afgeleid dat de juridische grondslag van deze vordering, die de strekking heeft gedaagden de toegang te weigeren tot de crematieplechtigheid, berust op een onrechtmatig handelen van gedaagde.

Weigering tot toegang tot crematie onrechtmatig?

Voor de beoordeling hiervan is relevant dat ter zitting ondubbelzinnig is gebleken dat de verhouding tussen in ieder geval eisers enerzijds en gedaagde anderzijds ernstig en onherstelbaar is verstoord. Daarbij komt nog dat eisers gedurende de afgelopen 20 jaren zeer weinig of geen contact met moeder hebben gehad en in ieder geval gedaagde en zijn echtgenote daarentegen een zeer intensieve relatie met haar hebben onderhouden en haar tot het laatst toe mede hebben verzorgd. Ook kan uit de door gedaagden overgelegde schriftelijke producties met een voldoende mate van zekerheid worden afgeleid dat moeder niet heeft gewild dat eisers aanwezig zouden zijn bij haar uitvaart. Tegen die achtergrond, en tevens ter voorkoming van verdere verstoring dan wel escalatie van de familieverhoudingen, moet de weigering van gedaagde als bezorger van haar uitvaart om eisers bij de crematieplechtigheid aanwezig te laten zijn niet als onrechtmatig jegens laatstgenoemden worden aangemerkt. De primaire vordering wordt om die redenen dan ook afgewezen.

Subsidiair vorderen eisers dat zij in de gelegenheid worden gesteld om op donderdag 17 augustus 2017 om 09.00 uur, althans voorafgaand aan de crematie, afscheid te nemen van moeder. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat deze vordering dezelfde grondslag heeft als de primaire. Zoals hierboven al is overwogen, ligt ook deze de vordering tegen gedaagde 2 aanstonds voor afwijzing gereed. Het geschil spitst zich dus toe op de vraag of gedaagde onrechtmatig handelt door eisers niet in de gelegenheid te stellen om op donderdag 17 augustus 2017 om 09.00 uur, althans voorafgaand aan de crematie, afscheid te laten nemen van moeder.

Die vraag moet bevestigend worden beantwoord voor zover het eisers betreft. Tussen hen en moeder bestaat bloedverwantschap in de 1ste en 2de graad. Hoewel vast staat dat bij leven van moeder tussen haar en haar dochter en kleinkinderen een conflictueuze situatie is ontstaan, is het in het kader van dit kort geding feitelijk niet mogelijk de exacte aard en omvang van deze conflicten vast te stellen.

Wat daar ook van zij, de door gedaagden gestelde conflicten doen niet af aan het feit dat eisers moeten worden gekwalificeerd als naaste bloedverwanten van moeder en dat aan hen op grond van deze nauwe familierechtelijke betrekking in beginsel het recht toekomt om afscheid te nemen van hun grootmoeder alvorens zij wordt gecremeerd. De door gedaagde daar tegen ingebrachte bezwaren moeten als onvoldoende zwaarwegend worden verworpen.

Zulks klemt temeer nu niet ondubbelzinnig is gebleken dat moeder zelf daartegen onoverkomelijke bezwaren heeft gehad. Onder deze omstandigheden moet een verdere weigering van gedaagde als de bezorger van de uitvaart, om eisers in staat te stellen afscheid te nemen van hun grootmoeder als strijdig met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betamelijk is en dus als onrechtmatig worden aangemerkt. De subsidiaire vordering zal jegens eisers worden toegewezen onder de daaraan verbonden voorwaarden zoals nader in het dictum omschreven.

De subsidiaire vordering van eiser zal niet worden toegewezen. Door zijn huwelijk met eiseres 2 is weliswaar aanverwantschap ontstaan tussen hem en onder meer zijn schoonmoeder maar tijdens de mondelinge behandeling heeft eiser uiteindelijk te kennen gegeven dat hij deze vordering niet langer wenst te handhaven maar dat hij het wel belangrijk vindt dat zijn vrouw en kinderen afscheid kunnen nemen van hun grootmoeder.

De voorzieningenrechter acht het, gelet op de proceshouding van gedaagde ter zitting, noodzakelijk om, zoals gevorderd, een dwangsom op te leggen. De gevorderde dwangsom zal evenwel worden gematigd tot € 35.000,-. De proceskosten zullen worden gecompenseerd gelet op de familierechtelijke aard van de procedure.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u vragen over een onrechtmatigheid bij de afwikkeling van een erfenis, belt u dan gerust onze advocaat erfrecht op 020-3980150.