De Rechtbank Midden-Nederland heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de verjaring van een vordering uit een ouderlijke boedelverdeling.

Ouderlijke boedelverdeling. Een vordering uit hoofde van een ouderlijke boedelverdeling verjaart na 20 jaar.

De rechter oordeelt als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van eiseres niet verjaard is.

De nalatenschap van C is met haar overlijden op in 1978 opengevallen.

Het testament van C omvat een ouderlijke boedelverdeling in de zin van artikel 4:1167 BW (oud), aldus dat alle goederen aan erflater zijn toebedeeld aan de kinderen en daarbij een (eerst zes maanden na het overlijden van erflater opeisbare) vordering op erflater hebben verkregen. Vast staat dat deze vordering destijds f 98.327,89 bedroeg.

Anders dan namens eiseres is betoogd is geen sprake van de opeising van een nalatenschap door eiseres in de zin van artikel 3:315 BW.

Met de verklaring van 23 februari 1979 hebben de kinderen deze verkrijging – namelijk van voornoemde bij leven van erflater niet-opeisbare vordering – aanvaard.

De nalatenschap van C is bij haar overlijden op in 1978 verdeeld, waarbij aan het kind D voornoemde vordering is toegedeeld, waarbij D deze making reeds op 23 februari 1979 heeft aanvaard.

D heeft daarmee in feite zijn aandeel in de nalatenschap van zijn moeder C al in 1979 opgeëist, zodat het instellen door eiseres van deze vordering niet meer als zodanig kan worden aangemerkt.

Zoals hiervoor overwogen is de nalatenschap van C op het moment van haar overlijden (1978) verdeeld op grond van de wettelijke verdeling van artikel 4:1167 BW (oud), zoals dat destijds gold.

Aldus is geen sprake van een tussen de deelgenoten in de nalatenschap van C afgesproken overeenkomst van verdeling, waarbij voornoemde deelgenoten de verdeling en de daaruit voortvloeiende onderbedelingsvorderingen van de kinderen zelf hebben vastgesteld.

In dat geval zouden de vorderingen van de kinderen bij deze overeenkomst van verdeling zijn vastgesteld, waardoor de vordering tot nakoming van deze verbintenis uit overeenkomst op grond van artikel 3:307 lid 1 zou zijn verjaard vijf jaar na het opeisbaar worden (zes maanden na het overlijden van erflater in 1999), dus per 2005.

Nu de nalatenschap op grond van de wet (artikel 4:1167 BW (oud)) is verdeeld en de onderbedelingsvordering van D ook op die grond is ontstaan, geldt dat bij gebreke van een andere verjaringstermijn in de wet, deze rechtsvordering op grond van artikel 3:306 BW pas verjaart door verloop van twintig jaren.

Deze termijn van twintig jaren is op grond van artikel 3:313 BW aangevangen op in 2000.

Nakoming van deze vordering kon immers niet eerder worden gevorderd dan zes maanden na het overlijden van erflater.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over een ouderlijke boedelverdeling, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.