Van onze advocaat erfrecht. Het Gerechtshof Den Haag heeft op 15 augustus 2017 uitspraak gedaan over bewijs van afgifte van door de zuster van erflaatster ten laste van de rekening van erflaatster gepinde bedragen. Bewijsoverwegingen en waardering van getuigenverklaringen.

In het tussenarrest van 22 november 2016 heeft het hof appellante toegelaten tot het leveren van tegenbewijs, dat appellante de opgenomen bedragen aan erflaatster heeft afgedragen. Uit de productie volgt dat in de gemeente (woonplaats van appellante) in de periode van 20 maart 2013 tot 31 maart 2013 van de rekening van erflaatster een totaal bedrag is gepind van € 23.000,-Voorts volgt uit de productie dat in de gemeente op 27 maart 2013 van de rekening van erflaatster een totaal bedrag is gepind van € 10.000,-.

De bewijsopdracht hield in dat appellante moest bewijzen dat zij voornoemde gepinde bedragen aan haar zuster, erflaatster, heeft afgedragen.

Beoordeling van het bewijs

Het hof overweegt als volgt.

De waardering van het bewijs is aan de rechter overgelaten tenzij de wet anders bepaalt. De keuze voor de vrije bewijswaardering vloeit voort uit de gedachte dat de rechter, binnen de grenzen van het geschil, zoveel mogelijk de materiële waarheid dient te achterhalen.

Indien een partij als getuige is gehoord, kan haar verklaring omtrent door haar te bewijzen feiten geen bewijs in haar voordeel opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs.

De beperking van de bewijskracht van de partijgetuigenverklaring geldt niet als de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Hiervan is alleen sprake als er aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken.

 Het getuigenbewijs

Appellante heeft als getuigen naar voren gebracht: haar levensgezel ; de heer (naam getuige) (die niet kon verklaren of appellante de enveloppe met geld aan erflaatster heeft afgegeven); en appellante zelf.

Appellante heeft in haar conclusie na enquête onder meer het volgende gesteld: zij heeft het bedrag van € 10.000,- niet op 27 maart 2013 gepind; en haar partner kan bevestigen dat zij een bedrag van € 23.000,- in een enveloppe aan erflaatster heeft verstrekt.

Geïntimeerde heeft in zijn antwoord memorie na enquête onder meer het volgende gesteld:

het hof heeft appellante toegelaten tot het leveren van bewijs dat zij de in voormelde productie genoemde bedragen (in totaal € 33.000,-) aan erflaatster heeft afgedragen; de twee verklaringen van de heer (getuige) zijn tegenstijdig; de heer (getuige) kan niet gezien hebben dat appellante de enveloppen met geld aan erflaatster heeft gegeven; appellante is er niet in geslaagd te bewijzen dat zij de gelden die zij tot zich heeft genomen door de pinopnames aan erflaatster heeft afgedragen.

De weging van het bewijs

Het hof is van oordeel dat appellante niet in haar bewijsopdracht is geslaagd en oordeelt daartoe als volgt.

Het hof hecht geen doorslaggevende waarde aan de verklaring van de heer (getuige), aangezien deze getuige naar het oordeel van het hof niet eenduidig verklaarde en daardoor onvoldoende geloofwaardig overkwam.

Het hof neemt daarbij in aanmerking dat deze getuige een relatie met appellante heeft en dat zijn verklaring op een aantal punten niet als betrouwbaar kan worden aangemerkt.

De getuige is allereerst niet consistent in zijn verklaring of hij er bij was of niet, toen erflaatster aan appellante vroeg om geld te pinnen. De getuige zegt niet te weten hoeveel geld er is gepind en hij heeft ook niet gezien hoeveel geld in de enveloppen zat. Voorts is het hof met geïntimeerde van oordeel dat getuige niet gezien kan hebben of appellante de enveloppen aan erflaatster heeft verstrekt. De getuige kan, gelet op de positie van de voordeur van erflaatster ten opzichte van de parkeerplaats, niet uit zijn auto gezien hebben of appellante de enveloppen met geld aan erflaatster heeft verstrekt. De foto`s en de daarop gegeven toelichting van geïntimeerde waren voor het hof overtuigend.

De verklaring van appellante kan in deze alleen als aanvullend bewijs gelden op de verklaring van de getuige. Gezien het feit dat het hof aan de verklaring van getuige geen waarde hecht komt het hof niet toe aan de weging van de verklaring van appellante zelf.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u vragen over de onttrekking van gelden uit een erfenis, over het leveren van bewijs in het erfrecht en het waarderen van het aangeleverde bewijs, belt u dan gerust onze advocaat erfrecht op 020-3980150.