De man en de vrouw zijn op 16 november 2015 in gemeenschap van goederen gehuwd. Rond diezelfde datum heeft de vrouw een nieuw testament gemaakt en haar dochters onterfd. De rechtbank heeft het huwelijk op vordering van de dochters nietig verklaard, de man gaat in hoger beroep.

Na een ongeval van de vrouw in september 2015 heeft de geriater duidelijk geconcludeerd dat er bij de vrouw sprake was van langer bestaande cognitieve functiestoornissen in het kader van een dementie, waarvan verdere analyse zou volgen via de GGZ. De rechtbank heeft terecht en uitvoering gemotiveerd de bezwaren van de man tegen het deskundigenrapport weerlegd. Bovendien zijn niet alleen de gesprekken met de dochters aan de conclusie van de deskundige ten grondslag gelegd, ook is uitdrukkelijk informatie van de huisarts, een gesprek met de vrouw en een gesprek met de man zelf in de beoordeling betrokken. De deskundige heeft vastgesteld dat het taalbegrip en de taalexpressie van de vrouw ook al in november 2015 fors aangedaan moet zijn geweest op basis van hetgeen uit het dossier blijkt.

De dochters waren niet op de hoogte van het huwelijk en hebben nog nooit van de aanwezige getuigen gehoord, terwijl het contact met de vrouw altijd zeer intensief is geweest en de dochters goed op de hoogte waren van het sociale leven van de vrouw. De ambtenaar van de burgerlijke stand heeft verklaard dat de vrouw aan de getuigen werd voorgesteld vlak voor de huwelijksvoltrekking.

De rechtbank heeft op basis van de vastgestelde feiten alsmede de stukken geoordeeld dat voldoende is komen vast te staan dat de geestvermogens van de vrouw ten tijde van het sluiten van het huwelijk al zodanig waren gestoord dat zij niet in staat was haar wil te bepalen en de betekenis van haar verklaring te begrijpen. In dit kader heeft de rechtbank terecht meegewogen dat het huwelijk een complexe beslissing is die leidt tot vergaande gevolgen van emotionele, juridische, financiële en fiscale aard.

Het huwelijk van de vrouw en de man is naar de mening van de dochters door de rechtbank terecht nietig verklaard, aangezien sprake is van een huwelijksbeletsel.

Wilsbekwaamheid

In artikel 1:32 BW is bepaald dat een huwelijk niet mag worden aangegaan, wanneer de geestvermogens van een partij zodanig zijn gestoord, dat deze niet in staat is haar wil te bepalen of de betekenis van haar verklaring te begrijpen. In geschil is of van een dergelijke stoornis van de geestvermogens bij de vrouw op 16 november 2015 sprake was. De rechtbank heeft deze vraag bevestigend beantwoord.

Anders dan de man betoogt, heeft de deskundige Dautzenberg het onderzoek zorgvuldig uitgevoerd. De deskundige, die zelf geriater is, heeft op de eerste plaats als zodanig zelfstandig onderzoek gedaan. Daarbij heeft hij de beschikbare medische informatie van andere professionals betrokken. Het standpunt dat de deskundige bij zijn conclusies met name is uitgegaan van de verklaringen van de dochters wordt niet gevolgd, aangezien dit niet blijkt uit het rapport. De deskundige heeft niet alleen de dochters gesproken, maar ook de man zelf alsmede de vrouw. Daarnaast heeft de deskundige gesproken met de hoofdbehandelaar van de vrouw, een psychiater. De deskundige heeft van zowel de dochters, de man als van de psychiater delen van het medisch dossier ontvangen. Bovendien heeft hij inzage gehad in het digitaal dossier, opgesteld gedurende het verblijf van de vrouw in een instelling. Van al deze bevindingen heeft de deskundige uitvoerig verslag gedaan in zijn rapportage en partijen zijn in de gelegenheid gesteld op het rapport te reageren.

De omstandigheid dat geen rekening is gehouden met het gehele medische dossier van de huisarts kan niet tot een ander oordeel leiden. Dit geldt te meer nu er diverse en relevante bevindingen van de huisarts in de rapportage zijn opgenomen. Aanwijzingen dat relevante informatie zou ontbreken zijn gesteld noch gebleken. Er wordt dan ook geen aanleiding gezien de dochters op te dragen het gehele medische dossier van de vrouw bij de huisarts op te vragen en in het geding te brengen.

Voor zover de man heeft beoogd het hof te verzoeken een nader onderzoek te gelasten, is dit verzoek met onvoldoende concrete gegevens onderbouwd. Bovendien acht het hof zich met de beschikbare informatie voldoende voorgelicht om een beslissing te nemen.

Zoals uit de rapportage van dr. Dautzenberg en de daarbij horende bijlagen blijkt, heeft iedere zorgprofessional die met de vrouw in aanraking is gekomen na 11 september 2015 en waar de deskundige verslag van heeft kunnen vinden, de vrouw dementerend genoemd. Op het domein van geheugen is in 2015 al sprake van matige dementie en het niveau van de stoornis is dan licht tot matig dementerend. De man betoogt weliswaar dat de vrouw na het ontslag uit het ziekenhuis in september 2015 weer de oude was en dat zij tot en met april 2016 niet meer is behandeld of gezien door een medisch specialist, zodat niet met zekerheid kan worden gesteld hoe haar geestestoestand was op 16 november 2015. Echter, dit strookt op geen enkele wijze met de bevindingen van de deskundige en de door hem verkregen informatie van de betrokken zorgprofessionals. Weliswaar blijkt niet dat de vrouw na het ontslag uit het ziekenhuis terug diende te komen voor controles in verband met de val, maar de huisarts heeft op 17 september 2015 in overleg met de geriater het wel noodzakelijk geacht de GGZ en een casemanager dementie in te schakelen, hetgeen ook is gebeurd. De omstandigheid dat de vrouw zelf op dat moment mogelijk geen ziekte-inzicht had en als zorg mijdend kan worden aangemerkt, doet hier niet aan af. In april 2016 was zij niet meer in staat om bij het zien van een pen of horloge deze te benoemen, passend op het domein oordeels- en probleemoplossend vermogen van de CDR bij ernstige dementie. In juni 2016 wist de vrouw niet meer hoeveel kinderen zij heeft, eveneens passend bij een ernstige dementie.

Gelet op dit ziekteverloop en gelet op de bevindingen en conclusie van de deskundige Dautzenberg staat genoegzaam vast dat de vrouw op 16 november 2015 dementerend was door de ziekte Alzheimer. Weliswaar kan worden aangenomen dat de vrouw in die periode oppervlakkig normaal leek, maar evenzeer dat zij toen al moeite had met het oplossen van problemen, het benoemen van overeenkomsten of het benoemen van verschillen. Op grond van de bevindingen van de deskundige wordt er voorts van uitgegaan dat haar taalbegrip en taalexpressie ook in november 2015 al fors waren aangedaan. Niet alleen was zij al beperkt in haar dagelijkse beslissingen, zij moest op dat moment zeker beperkt worden geacht in het kunnen overzien van de gevolgen en betekenis van het huwelijk. Daarbij gaat het niet alleen om de huwelijksvoltrekking als zodanig, maar ook om het vermogen de verdere gevolgen op juridisch en fiscaal terrein te kunnen overzien.

Op grond van de gebeurtenissen komt het hof, net als de rechtbank, tot het oordeel dat is komen vast te staat dat de geestvermogens van de vrouw ten tijden van het sluiten van het huwelijk op 16 november 2015 reeds zodanig waren gestoord dat zij niet in staat was haar wil te bepalen en de betekenis van haar verklaring te begrijpen.

Uit het voorgaande volgt dat sprake is van het in artikel 1:32 BW bedoelde huwelijksbeletsel, zodat aan het criterium voor nietigverklaring van het huwelijk is voldaan.

Goede trouw

Vervolgens ligt de vraag voor of de man ten tijde van het sluiten van het huwelijk te goeder trouw was. rtikel 1:77 lid 1 BW bepaalt dat de nietigverklaring van het huwelijk, zodra de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, terugwerkt tot het tijdstip van de huwelijksvoltrekking. Ingevolge artikel 1:77 lid 2, aanhef en onder b, BW mist de beschikking echter terugwerkende kracht en heeft zij hetzelfde rechtsgevolg als een echtscheiding ten aanzien van de te goeder trouw zijnde echtgenoot.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat geen sprake was van goede trouw aan de zijde van de man ten tijde van het sluiten van het huwelijk. Daartoe wordt het volgende in overweging genomen. adat de vrouw op 15 september 2015 uit het ziekenhuis is ontslagen, heeft de huisarts haar op 17 september 2015 thuis bezocht. Omdat ook hij een dementieel beeld bij de vrouw constateerde heeft hij de GGZ ingeschakeld voor ondersteuning thuis alsmede een casemanager dementie. De man heeft die zorg afgewezen. De man wilde evenmin en verwijzing naar de geheugenpoli. Verzorgers werden door de man niet binnengelaten en er is een melding gedaan bij Veilig Thuis. In februari 2016 werd de vrouw dwalend in het dorp agetroffen en was zij in een kledingzaak op zoek naar een arts. Vervolgens is via Veilig Thuis overleg gestart met onder meer politie en zorgverleners omdat, kort gezegd, rekening werd gehouden met mogelijke oudermishandeling vanwege het onthouden van zorg.

Op grond van deze gegevens en het verhandelde ter zitting is voldoende aannemelijk dat de man bewust de zorg afhield, terwijl moet worden aangenomen dat het hem duidelijk was althans moest zijn dat er bij zijn vrouw sprake was van een mogelijk dementieel beeld en dat nadere ondersteuning van haar noodzakelijk was.

Daarbij komt dat vaststaat dat aan de dochters, onmiddellijk na het ontslag uit het ziekenhuis op 15 september 2015 alsook de overige familieleden zoals de kleinkinderen, de toegang tot de woning van de man en de vrouw is ontzegd, terwijl zij tot aan dat moment nagenoeg dagelijks contact met elkaar hadden. Een deugdelijke verklaring daarvoor ontbreekt en wordt door de man ook niet gegeven.

Voorts is onbetwist dat de dochters via de huisarts ervan op de hoogte geraakten dat hun moeder inmiddels met de man in het huwelijk was getreden. Het ligt niet voor de hand, in aanmerking nemende de goede band die in ieder geval tot medio september 2015 altijd heeft bestaan, de dochters daarover niet te informeren.

Daar komt bij dat de vrouw, toen zij nog niet dementerend was, op 3 oktober 2013 voor notaris haar levenstestament heeft laten passeren, waarin zij haar oudste dochter een volmacht gaf al haar vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke belangen te behartigen indien sprake zou zijn van wilsonbekwaamheid aan haar zijde. Op dat moment had zij al ruim 2 jaar een relatie met de man, was zij nog niet dementerend en koos zij er kennelijk uitdrukkelijk voor de volmacht bij uitsluiting van de man aan haar oudste dochter te geven. Dit duidt op een goede relatie met haar oudste dochter en sluit volledig aan bij hetgeen ook de deskundige in zijn rapportage heeft geconstateerd, namelijk dat haar keuzes voor mannelijke partners niet gangbaar waren, dat zij altijd financieel onafhankelijk wilde zijn, en daarbij loyaal was aan haar familie en kinderen en niet aan haar partners.

Dat de man en vrouw vervolgens in algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd waardoor de man mede-eigenaar is geworden van al de bezittingen van de vrouw waaronder een eigen woning ter waarde van ongeveer € 130.000,–/140.000,– past niet bij voormelde omstandigheden. Daarbij komt dat de man op geen enkele wijze concrete en toetsbare informatie heeft gegeven over zijn inkomens-en vermogenspositie ten tijde van het sluiten van het huwelijk, terwijl hij daarmee de angst van de dochters dat hij louter om financiele redenen met de vrouw samenwoonde en uiteindelijk is gehuwd, toch vrij eenvoudig had kunnen wegnemen. De man heeft op geen enkele wijze inzicht gegeven in zijn inkomens en vermogenspositie, terwijl onweersproken vaststaat dat inmiddels uit het vermogen van de vrouw wel boetes en aanmaningen ter zake door de man aangegane schulden worden betaald.

Bovendien is op 14 januari 2016 voor de notaris een nieuw testament van de vrouw gepasseerd waarin de beide dochters van de vrouw zijn onterfd, en de man is benoemd tot enig en algeheel erfgenaam van de vrouw. Niet alleen was mevrouw toen al dementerend en kon zij vermoedelijk de strekking van dit testament niet overzien, deze handelwijze past op geen enkele manier bij de eerder gemaakte keuzes in haar leven en de relatie die zij met haar kinderen had tot medio september 2015. Weliswaar betoogt de man dat hij de inhoud van het nieuwe testament van de vrouw niet kende, maar het hof is daarvan niet overtuigd geraakt. Dit klemt te meer waar de man volgens eigen zeggen op dezelfde datum bij dezelfde notaris een testament heeft laten passeren en hij bovendien in het testament van de vrouw als enig erfgenaam in het testament wordt geduid en bij vooroverlijden van hem, de heer X, kennelijk een goede relatie van de man. Op geen enkele manier zijn feiten of omstandigheden gesteld of gebleken dat de vrouw bewust en overtuigd deze erfrechtelijke keuzes heeft gemaakt. De enkele stelling dat de notaris zich daarvan moet hebben vergewist, acht het hof daar toen in het onderhavige geval onvoldoende.

Al deze feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien rechtvaardigen naar het oordeel van het hof de conclusie dat de man ten tijde van het sluiten van het huwelijk niet te goeder trouw was. Daarom is ook het hof van oordeel dat de beschikking tot nietigverklaring van het huwelijk van de man en de vrouw ook ten aanzien van de man terugwerkende kracht heeft tot het tijdstip van de huwelijksvoltrekking.

Testament

Vernietiging van het testament was in deze procedure niet aan de orde. En hoewel dit meestal een lastige procedure is die niet vaak leidt tot succes, is onze advocaat erfrecht van mening dat in deze zaak het alleszins redelijk is dat het testament wordt vernietigd.

Lees hier de hele uitspraak.