Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 2 augustus 2022 uitspraak gedaan over een gevorderde machtiging voor de verkoop en levering van een woning om een vastgestelde verdeling te effectueren.
Erflater en geïntimeerde hadden enkele registergoederen in onverdeelde, gemeenschappelijke eigendom.
Het aandeel van erflater in de gemeenschappelijke eigendom maakt deel uit van de nalatenschap waarin appellante en de dochter erfgenamen zijn.
Een van de registergoederen is een huis (hierna: het huis).
Appellante wenst dat het huis wordt verkocht en geleverd.
Het geschil in hoger beroep betreft alleen dit huis.
Erfrecht. Verdeling van een nalatenschap. Kort geding. Machtiging voor de verkoop en de levering van de woning om de vastgestelde verdeling te effectueren. Machtiging ex art. 3:177 lid 1 BW.
De rechter oordeelt als volgt.
Uit de beslissing dat het huis moet worden verkocht, vloeit voor geïntimeerde de verplichting voort al het nodige te doen om tot verkoop en levering van het huis te komen.
De verkoop van het huis heeft de bodemrechter niet afhankelijk gesteld van bepaalde voorwaarden of omstandigheden.
Er is geen goed argument aangedragen op grond waarvan geïntimeerde desondanks haar medewerking aan de verkoop en levering afhankelijk mag maken van het voldoen aan bepaalde voorwaarden, zoals deelname aan mediation, het bereiken van een bredere overeenstemming waarvan de verkoop onderdeel is of de afwikkeling van andere geschilpunten.
De voorzieningen die appellante vordert, zijn erop gericht om te bewerkstelligen dat geïntimeerde haar verplichting nakomt om mee te werken aan de verkoop en levering van het huis.
Er is geen goede reden om te oordelen dat in dit kort geding een bijzondere eis geldt dat de gevorderde voorzieningen beperkt zijn tot het uitvoeren van het vonnis van 11 maart 2020, in die zin dat nauwgezet moet worden getoetst of het gaat om voorzieningen die al in het vonnis zijn begrepen of voorzien.
Het gaat erom dat het huis wordt verkocht en geleverd en of de voorzieningen nodig en geschikt zijn om dit te bewerkstelligen.
Voor zover de voorzieningenrechter anders heeft geoordeeld, maakt appellante daartegen terecht bezwaar.
Geïntimeerde heeft niet of onvoldoende weersproken dat de gevorderde voorzieningen op zichzelf genomen geschikt zijn om te bewerkstelligen dat het huis wordt verkocht en geleverd.
Voor zover geïntimeerde betoogt dat de voorzieningen niet nodig zijn, volgt het hof dit betoog niet.
Uit het verweer van geïntimeerde, ook in hoger beroep, blijkt niet dat geïntimeerde zonder voorbehoud of voorwaarden meewerkt aan de verkoop en levering.
Weliswaar stelt zij dat zij na het bestreden vonnis meewerkt aan een taxatie, maar de bedenkingen en voorbehouden die in haar verweer zijn gelegen, maken het onvoldoende aannemelijk dat geïntimeerde voortvarend de concrete vervolgstappen zal zetten die nodig zijn om op zo kort mogelijke termijn de verkoop en levering van het huis te realiseren.
De verlangde voorzieningen zijn dus niet onnodig, en de dwangsom is niet overbodig.
Geïntimeerde wil dat het hof, voor zover de door appellante verlangde voorzieningen worden getroffen, het een en ander bepaalt over:
– het verdelen van een tegoed op een betaalrekening,
– een beperkte draagplicht van geïntimeerde met betrekking tot aan het huis verbonden hypothecaire verplichtingen, omdat een deel daarvan volgens geïntimeerde een zakelijke oorsprong heeft,
– het verbieden van appellante om beslag te laten leggen op het bij levering van het huis aan geïntimeerde toekomende bedrag.
Wat geïntimeerde in wezen wil, is dat het hof beslissingen en voorzieningen geeft over het afwikkelen van de vermogensrechtelijke betrekkingen uit het huwelijk tussen erflater en geïntimeerde en aan de verkoop en levering van het huis voorwaarden verbindt die daaruit volgens haar voorvloeien.
Dit blijkt ook uit haar verzoek om ‘in geval het vonnis wordt vernietigd en de vorderingen van appellante strekkende tot (gedwongen) verkoop van de woning toewijsbaar zijn (quod non) daaraan de door geïntimeerde gestelde voorwaarden/geboden/verboden te verbinden’.
Voor het afhankelijk stellen van de verkoop en levering van dergelijke voorwaarden, bieden de beslissingen van de bodemrechter geen of onvoldoende grondslag.
Het hof verwijst naar hetgeen hiervóór is overwogen.
Het hof ziet ook verder geen of onvoldoende aanleiding om dergelijke voorwaarden aan de verkoop en levering te verbinden.
Daarnaast heeft geïntimeerde nog opmerkingen gemaakt over diverse onderdelen van de primaire en subsidiaire vorderingen.
Zowel de primaire als de subsidiaire vorderingen hebben tot doel te bewerkstelligen dat geïntimeerde zonder voorbehoud en onvoorwaardelijk meewerkt aan al hetgeen nodig is om het huis te verkopen en te leveren.
De primaire vorderingen houden in dat appellante daarbij namens geïntimeerde optreedt wat betreft het verrichten van diverse rechtshandelingen.
De subsidiaire vorderingen houden in dat geïntimeerde wordt veroordeeld om deze rechtshandelingen zelf te verrichten, op straffe van verbeurte van een dwangsom.
Het komt het hof voor dat het de voorkeur heeft dat appellante de noodzakelijke rechtshandelingen verricht, om zoveel mogelijk problemen bij het ten uitvoer leggen van dit arrest en geschillen over het verbeuren van dwangsommen te voorkomen.
Geïntimeerde heeft zich tegen het verlenen van een machtiging aan appellante alleen verzet met het argument dat het te gelde maken van de woning nog niet aan de orde is.
Dit standpunt heeft het hof echter al hiervóór verworpen.
Ook voor het overige zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die tot het oordeel moeten leiden dat geen machtiging aan appellante kan worden verleend.
Volgens appellante kan de machtiging worden gegrond op het bepaalde in art. 3:174 lid 1 BW.
Art. 3:174 lid 1 BW voorziet in de mogelijkheid om een deelgenoot, zoals appellante, te machtigen tot het te gelden maken van een gemeenschappelijk goed, ten behoeve van het voldoen van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld of om andere gewichtige redenen.
Een dergelijke machtiging kan niet worden verleend om tot een verdeling van de gemeenschap te komen.
Daarop heeft art. 3:185 BW betrekking.
In dit geval is niet aan de orde dat machtiging wordt verleend om tot verdeling te komen. De verdeling heeft in de bodemzaak al plaatsgevonden.
Het gaat om het effectueren van de verdeling wat betreft de gemeenschap waarin het huis valt.
Naar het oordeel van het hof is de omstandigheid dat niet aannemelijk is dat geïntimeerde zonder voorbehoud of voorwaarden haar medewerking verleent aan de verkoop en levering van het huis, een voldoende gewichtige reden in de zin van art. 3:174 lid 1 BW om de machtiging te verlenen.
Of het voor het voldoen van schulden van de beperkte gemeenschap waarin het huis valt – wat niet hetzelfde is als de nalatenschap of alle gemeenschappen waarin partijen deelgenoten zijn – nodig is om het huis te verkopen, is in deze zaak niet van betekenis.
Ten overvloede merkt het hof nog op dat voor zover het gaat om feitelijke handelingen, de machtiging ook kan worden gegrond op het bepaalde in art. 3:299 lid 1 BW.
Voor rechtshandelingen is dit 3:300 lid 1 BW, in die zin dat appellante wordt aangewezen als de vertegenwoordiger van geïntimeerde om de rechtshandelingen te verrichten.
Anders overigens dan appellante meent, is ook het verlenen van een opdracht tot verkoopbemiddeling aan de makelaar een rechtshandeling.
Het hof tekent verder aan dat de machtiging geen vrijbrief is voor appellante om naar eigen goeddunken te handelen.
Zij zal bij het uitoefenen van de machtiging rekening behoren te houden met de gerechtvaardigde belangen van geïntimeerde, zoals zij ook was en is verplicht om als executeur van de nalatenschap rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van de dochter als de andere erfgenaam.
Het rekening houden met de gerechtvaardigde belangen van geïntimeerde brengt onder meer mee dat appellante geïntimeerde adequaat informeert over relevante ontwikkelingen, zoals biedingen op het huis, (concepten) voor verkoopovereenkomsten en akten.
Bovendien behoort geïntimeerde bij verkoop een redelijke termijn te worden gegeven om het huis te ontruimen, voordat levering plaatsvindt.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.