Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 12 april 2022 uitspraak gedaan over de vraag of een erfgenaam een gebruiksvergoeding wegens gebruik van een perceel grond aan de overige deelgenoten verschuldigd was.

Geïntimeerde, appellant zijn de erfgenamen van moeder, overleden in 2016.

Zij was in gemeenschap van goederen getrouwd met vader, die voor haar is overleden.

Hij had niet bij testament over zijn nalatenschap beschikt en heeft zijn zes kinderen (geïntimeerde ,appellant],de overige kinderen en moeder als zijn erfgenamen achtergelaten.

Op zijn nalatenschap is de wettelijke verdeling van artikel 4:13 BW van toepassing.

In de nalatenschap van moeder zijn partijen ieder voor 1/7e deel gerechtigd.

Moeder heeft op 27 september 2016 bij testament bepaald dat aan A (die door haar en de vader is opgevoed als ware hij hun eigen kind) een legaat toekomt ter hoogte van een kindsdeel

Tot de nalatenschap van moeder behoort het perceel kadastraal bekend gemeente B, sectie K nummer 967 (hierna: het perceel).

Appellant woont samen met zijn echtgenote in een stacaravan (woonwagen) op het perceel.

Appellant is het niet eens met de beslissing van de rechtbank dat hij aan de nalatenschap een gebruiksvergoeding moet betalen van € 23.800 per jaar (vanaf 3 oktober 2016 tot uiterlijk 14 dagen voor levering van het perceel aan een derde).

Appellant woont met zijn gezin al vanaf begin jaren ’80 (en eerder dan zijn ouders) in zijn woonwagen op het perceel.

Toen vader het perceel kocht (en daar met moeder met zijn woonwagen ook is gaan staan) is de afspraak gemaakt dat appellant voor het terrein geen pacht hoefde te betalen.

De andere erfgenamen moeten die afspraak respecteren.

Sinds het overlijden van moeder op 3 oktober 2016 is appellant net als de zes anderen voor 1/7e deel medegerechtigd en hij maakt met zijn standplaats niet van het hele perceel gebruik.

Appellant is het ook niet eens met de getaxeerde waarde van het perceel.

Dit omdat ten tijde van de taxatie ook de woonwagen van de ouders nog op het perceel stond (inmiddels is deze verkocht en is de opbrengst verdeeld) en deze woonwagen (evenals de woonwagen van appellant) bij de waardebepaling was inbegrepen.

Voorts zijn de loods – een bedrijfsruimte, met daardoor een hogere waarde van de ondergrond per m2 – en het tegenoverliggend terrein nog steeds in gebruik bij kind 2.

Bovendien is het perceel volgens appellant ernstig vervuild en daardoor nog steeds niet verkocht, en in feite onverkoopbaar zolang het niet is gesaneerd.

Een gebruiksvergoeding komt voorts niet toe aan de nalatenschap maar aan de andere deelgenoten.

Geïntimeerde en kind 1 betwisten de stellingen van appellant.

Erfrecht. Verdeling van een nalatenschap. Is de erfgenaam een gebruiksvergoeding wegens gebruik van een perceel grond aan de overige deelgenoten verschuldigd?

De rechter oordeelt als volgt.

Op grond van artikel 3:169 BW is – tenzij een regeling anders bepaalt – iedere deelgenoot bevoegd tot het gebruik van een gemeenschappelijk goed, mits dit gebruik met het recht van de overige deelgenoten te verenigen is.

Appellant heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, tegenover de betwisting van geïntimeerde en kind 1, onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een geldige regeling die anders bepaalt.

Het hof is daarom met de rechtbank van oordeel dat appellant een gebruiksvergoeding aan de nalatenschap verschuldigd is.

De rechtbank heeft de gebruiksvergoeding die appellant aan de nalatenschap moet betalen bepaald op € 23.800,00 per jaar vanaf 3 oktober 2016, met de overweging dat dit bedrag de rechtbank redelijk voorkomt, mede gelet op de door makelaar V in zijn taxatierapport van 31 maart 2018 genoemde bruto markthuurprijs voor de op het perceel staande bedrijfsruimte en ondergrond voor twee woonwagens van € 31.360,00 en gelet op de verhuur van de bedrijfsruimte aan een derde.

Uit het taxatierapport volgt deze bruto markthuurprijs en voorts dat het gewaardeerde object de bedrijfsruimte en de ondergrond voor twee woonwagens met buitenterrein betreft.

De woonwagens zelf zijn niet in de taxatie meegenomen, maar wel de ondergrond.

De ondergrond met woonbestemming is duurder dan het deel van het perceel dat geen woonbestemming heeft/de bedrijfsruimte.

Het hof acht het bedrag dat de rechtbank als gebruiksvergoeding heeft vastgesteld mede gelet op het taxatierapport redelijk.

Omstandigheden zoals mogelijke bodemvervuiling in verband met het gebruik van de grond en het recht van overpad zijn in het taxatierapport genoemd en door de taxateur in de beoordeling betrokken.

De argumenten van appellant, die door geïntimeerde en kind 1 betwist worden, leiden dus niet tot een ander oordeel.

Appellant heeft zijn stellingen ook niet onderbouwd met bescheiden, terwijl dat wel op zijn weg had gelegen.

Dat appellant ook voor 1/7 deel gerechtigd is in de nalatenschap (en dus 1/7 deel van de gebruiksvergoeding weer terug krijgt) doet daar niet aan af, en leidt niet tot een ander bedrag.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over een gebruiksvergoeding in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.