De Rechtbank Noord-Holland heeft op 30 maart 2022 uitspraak gedaan over de vraag of een mantelzorger verplicht was tot het afleggen van rekening en verantwoording.

Partijen zijn de erfgenamen van hun moeder (erflaatster).

Eiser heeft sinds de scheiding van hun ouders in 1989 geen contact meer met erflaatster gehad.

Gedaagde heeft de mantelzorg voor erflaatster voor zijn rekening genomen.

Na het overlijden van erflaatster heeft eiser inzage verzocht en verkregen in de bankafschriften van erflaatster over de periode 26 oktober 2010 tot en met 26 oktober 2017.

Hieruit heeft hij opgemaakt dat gedaagde overboekingen, uitgaven en pinopnames heeft gedaan van de bankrekening van erflaatster van in totaal € 31.320 die volgens eiser niet passen binnen haar levenspatroon en niet aan erflaatster ten goede zijn gekomen.

Nu niet is gebleken dat erflaatster heeft ingestemd met de door gedaagde uitgevoerde financiële handelingen, meent eiser dat gedaagde het bedrag moet terugbetalen aan de nalatenschap. 

Erfrecht. Verdeling van nalatenschap. Verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording door een mantelzorger? Familiesfeer. Onverklaarbare uitgaven? Onttrekking van gelden?

De rechter oordeelt als volgt.

Eiser stelt dat gedaagde vanaf 2011 onrechtmatig gelden van de bankrekening van erflaatster heeft onttrokken.

Gedaagde heeft dit gemotiveerd betwist.

De rechtbank stelt voorop dat de stelplicht en bewijslast van de stelling dat sprake is geweest van onrechtmatige onttrekkingen of ongerechtvaardigde verrijking door gedaagde uit het vermogen van erflaatster, op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv op eiser rust.

Voor omkering van de bewijslast bestaat geen aanleiding.

Eiser heeft geen bijzondere regel aangevoerd op basis waarvan een dergelijke omkering gerechtvaardigd is, terwijl evenmin sprake is van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat uit de redelijkheid en billijkheid een omkering van de bewijslast voortvloeit.

De enkele omstandigheid dat (volgens eiser) het voor gedaagde eenvoudiger is om het bewijs te leveren, omdat gedaagde wetenschap heeft van de transacties van de bankrekening van erflaatster, is daarvoor in ieder geval onvoldoende.

Tussen partijen is niet in geschil dat gedaagde als mantelzorger erflaatster heeft bijgestaan en hij over een (of meerdere) pinpas(sen) van de bankrekening van erflaatster bij ING beschikte.

Vast staat dat gedaagde ook daadwerkelijk geld van deze betaalrekening heeft overgemaakt en opgenomen en betalingen heeft verricht.

Dit brengt echter nog niet mee dat gedaagde verplicht was om rekening en verantwoording af te leggen.

Een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording kan worden aangenomen indien tussen partijen een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan krachtens welke de een jegens de ander (de rechthebbende) verplicht is om zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te verantwoorden.

Een zodanige verhouding kan voortvloeien uit de wet, een rechtshandeling of ongeschreven recht.

Of het doen van rekening en verantwoording voor gedaagde verplicht was, is daarom afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

In familierelaties als de onderhavige, waarbij er sprake is van zorgbehoevendheid van erflaatster waarin gedaagde als mantelzorger heeft voorzien, en waarbij erflaatster aan gedaagde het vertrouwen heeft gegeven om te beschikken over haar banksaldo, past het om terughoudendheid aan te nemen in het vaststellen van een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording.

Eiser heeft aangevoerd (onder verwijzing naar een arrest van het Hof Amsterdam van 11 april 2017, GHAMS:2017:1272) dat deze terughoudendheid een grens vindt bij financiële handelingen die gedaagde ten behoeve van zichzelf heeft verricht en financiële handelingen die wat aard en/of omvang betreft niet gerekend kunnen worden tot het normale uitgavenpatroon van erflaatster.

Dat daarvan sprake is geweest, is naar het oordeel van de rechtbank echter niet gebleken.

Gedaagde heeft voor de door eiser ter discussie gestelde overmakingen, uitgaven en pinopnames, immers een voldoende concrete verklaring gegeven.

Zo heeft gedaagde toegelicht dat erflaatster, hoewel zij in een woonzorginstelling verbleef, maandelijks kosten maakte voor boodschappen, uitjes, groepsactiviteiten, vakanties en persoonlijke verzorging, zoals kleding, kapper, pedicure en waskosten.

Die kosten werden regelmatig door gedaagde of zijn gezin (contant) voldaan, waarna het bedrag van de bankrekening van erflaatster werd overgeboekt naar de bankrekening van gedaagde.

Daarnaast heeft gedaagde toegelicht dat erflaatster (een deel van de) brandstofkosten van gedaagde betaalde als gedaagde zijn auto gebruikte om erflaatster te vervoeren, alsmede eenmalig een deel van de onderhoudskosten van de auto van gedaagde heeft voldaan.

Ook heeft gedaagde toegelicht dat erflaatster tweemaal is verhuisd en dat daarvoor (onder andere) nieuwe meubels zijn aangeschaft (die zich overigens volgens de onweersproken stellingen van gedaagde na het overlijden van erflaatster nog in de inboedel bevonden en tussen partijen zijn verdeeld).

De pinopnames zijn bovendien van dermate beperkte omvang, zeker in de periode vanaf 2014, dat het voor de hand ligt dat dit is gebruikt als zakgeld voor erflaatster.

Eiser heeft op deze toelichting niet meer inhoudelijk gereageerd, zodat de rechtbank van de juistheid hiervan uitgaat.

Met de opmerking van eiser dat sommige uitgaven voor erflaatster niet “noodzakelijk” waren, zoals een abonnement van erflaatster op een krant, miskent eiser dat het aan erflaatster zelf was om te bepalen welke kosten zij wilde maken.

Gelet op het vorenstaande is niet gebleken dat de door eiser aangevoerde overboekingen, uitgaven en pinopnames geen verband houden met normale kosten, die erflaatster bovendien zelf heeft gemaakt.

Uit de toelichting van gedaagde volgt dat enkel de aanschaf van een fiets (€ 499), een bijdrage aan een vakantie (€ 745,40 minus een terugboeking van gedaagde van € 350) en een bijdrage voor de aanschaf van een laptop voor een zoon van gedaagde (€ 1.333,42 minus een terugboeking/eigen bijdrage van gedaagde van € 530) ten goede zijn gekomen aan gedaagde en zijn gezin.

Ten aanzien van deze betalingen heeft gedaagde toegelicht dat deze uitgaven op uitdrukkelijke wens van erflaatster hebben plaatsgevonden.

In het licht van het niet door eiser betwiste en dus vaststaande feit dat gedaagde en zijn gezin gedurende bijna 30 jaar (sinds 1989) de zorg voor erflaatster op zich hebben genomen en erflaatster onderdeel uitmaakte van het gezin van gedaagde, acht de rechtbank die verklaring niet onaannemelijk.

Eiser heeft ook geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat de door gedaagde gegeven toelichting bij deze uitgaven niet juist zou zijn.

De omstandigheid dat erflaatster in haar laatste levensjaren (vanaf mei 2014) in een gesloten afdeling van een woonzorginstelling heeft gewoond in verband met bij haar vastgestelde dementie, maakt het voorgaande nog niet anders.

Eiser heeft onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd dat erflaatster niet in staat was om haar wil te bepalen bij de voormelde handelingen (fiets, vakantie en laptop), terwijl gedaagde bovendien gemotiveerd heeft weersproken dat sprake was van wilsonbekwaamheid bij deze handelingen.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat geen sprake is van onverklaarbare uitgaven, zoals eiser stelt, maar dat deze uitgaven hebben plaatsgevonden ten behoeve van het normale levenspatroon van erflaatster, dan wel op uitdrukkelijk verzoek van erflaatster.

In het licht van hetgeen in het voorgaande is overwogen, moet de conclusie luiden eiser onvoldoende concreet heeft gesteld dat van onrechtmatige onttrekkingen of ongerechtvaardigde verrijking sprake is geweest.

Aan bewijslevering door eiser wordt daarom niet toegekomen.

De vorderingen die strekken tot betaling van het bedrag van € 31.320 zullen daarom worden afgewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het afleggen van rekening en verantwoording binnen het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.