Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 22 december 2020 uitspraak gedaan over de vraag of een vordering tot het afleggen van rekening en verantwoording een voorlopige voorziening is in de zin van artikel 223 Rv.

Appellant, geïntimeerde en hun broer C zijn samen erfgenaam in de nalatenschap van hun vader die in 2005 is overleden.

Tot de nalatenschap behoren onroerende zaken.

Appellant wil graag de onroerende zaken verdelen.

Hij heeft gevorderd dat de rechtbank de verdeling zal vaststellen en daarbij de onroerende zaken aan hem zal toedelen tegen een waarde van € 1.200.000.

Hij wil ook dat de rechtbank de saldi op de bankrekeningen en een aan C betaald voorschot van € 267.150 in die verdeling betrekt.

Appellant heeft in de procedure bij de rechtbank een incidentele vordering ingesteld.

Hij noemt die incidentele vordering zelf een voorlopige voorziening.

Appellant wil dat de rechtbank geïntimeerde veroordeelt aan hem rekening en verantwoording af te leggen over het financiële en feitelijke beheer van de onroerende zaken.

De rechtbank heeft geïntimeerde veroordeeld om medewerking te verlenen aan appellant om inzage te krijgen in deze bankafschriften en bescheiden.

Appellant is het niet eens met beslissing van de rechtbank.

Hij komt daarvan in hoger beroep.

Hij vraagt het hof geïntimeerde te veroordelen alle afschriften van de bankrekeningen met nummers vanaf de sterfdatum van erflater aan hem af te geven.

Erfrecht. Procesrecht. Is een vordering tot het afleggen van rekening en verantwoording een voorlopige voorziening in de zin van artikel 223 Rv? Incidentele vordering. Hoger beroep van een tussenvonnis.

De rechter oordeelt als volgt.

Anders dan appellant en geïntimeerde kennelijk als uitgangspunt nemen is de beslissing op een vordering tot het afleggen van rekening en verantwoording en tot afgifte van bankafschriften geen voorlopige voorziening in de zin van artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

Die beslissing heeft immers een definitief karakter en reikt verder dan de duur van het geding.

Het hof zal de vordering van appellant daarom niet beoordelen als voorlopige voorziening in de zin van artikel 223 Rv, maar als een andere incidentele vordering in de zin van artikel 208 en 209 Rv.

Het vonnis van de rechtbank van 28 mei 2019 is een tussenvonnis waarop artikel 337 lid 2 Rv van toepassing is.

Daarin staat dat van een tussenvonnis, waarin op een incident wordt beslist, hoger beroep slechts kan worden ingesteld tegelijk met dat van het eindvonnis, tenzij de rechter anders heeft bepaald.

Niet is gebleken dat de rechter in dit geval anders heeft bepaald.

Het hof zal appellant niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep tegen het vonnis van 28 mei 2019 en hem veroordelen in de proceskosten.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het afleggen van rekening en verantwoording in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.