Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft onlangs uitspraak gedaan over het gezag van gewijsde van een vonnis.

Het hof gaat uit van de volgende, tussen partijen vaststaande, feiten.

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking overwogen dat aan de rechtsoverwegingen van de beschikking van 14 juli 2022 gezag van gewijsde toekomt.

De rechtbank gaat er daarom van uit dat de nalatenschap van erflater moet worden vereffend volgens de wet (artikel 4:202 lid 1 onder a in verbinding met onder c BW).

Volgens verzoekster is er geen sprake van gezag van gewijsde van genoemde rechtsoverwegingen, onder meer omdat de verzoeken van verweerders in die procedure zijn afgewezen en er geen inhoudelijk oordeel is gegeven.

Daarnaast voert zij aan dat de rechtbank niet ambtshalve gezag van gewijsde had mogen toepassen, nu geen van partijen zich daarop heeft beroepen.

In hoger beroep hebben verweerders uitdrukkelijk een beroep gedaan op gezag van gewijsde van de betreffende overwegingen, zodat dit laatste punt geen behandeling behoeft.

Erfrecht. Procesrecht. Gezag van gewijsde. Rechtsbetrekking in geschil. Rechtsverhouding tussen partijen. Dragende overwegingen in dictum. Rechtszekerheid. Toetsing.

De rechter oordeelt als volgt.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat aan genoemde overwegingen van de kantonrechter gezag van gewijsde toekomt.

Op grond van (een analogische toepassing van) artikel 236 Rv komt gezag van gewijsde toe aan beslissingen aangaande de rechtsbetrekking in geschil die zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegane beschikking.

Vaststaat dat er geen hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van 14 juli 2022, zodat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan.

Daarmee resteert uitsluitend de vraag of sprake is van de rechtsbetrekking in geschil.

Bij de “rechtsbetrekking in geschil” draait het om de rechtsverhouding tussen partijen, voor zover aan de orde gesteld in het processuele debat.

Hier is dat de verdeling van de nalatenschap tussen de drie erfgenamen.

De kantonrechter heeft een beslissing genomen die noodzakelijk is om de rechtsverhouding tussen partijen te bepalen, namelijk zij heeft een oordeel gegeven over de vraag door wie de verdeling van de nalatenschap ter hand genomen moet worden.

De kantonrechter heeft immers geoordeeld dat door de beneficiaire aanvaarding door verzoekster, ook al had zij een ‘ruimschootsverklaring’ afgelegd, haar taak als executeur van rechtswege was geëindigd.

Daarmee waren alle erfgenamen gezamenlijk vereffenaar geworden en was het verzoek om verzoekster te ontslaan van haar taken als executeur achterhaald.

Dat oordeel, neergelegd in de overwegingen 4.5 tot en met 4.7, is dragend voor de beslissing die door de kantonrechter is genomen.

Daarbij is het niet van belang dat die beslissingen niet zijn neergelegd in het dictum, maar (zoals hier) enkel deel uitmaken van de dragende overwegingen die tot dat dictum leiden; ook die dragende overwegingen krijgen gezag van gewijsde als (zoals hier) aan de overige voorwaarden is voldaan.

Voor zover verzoekster heeft betoogd dat de kantonrechter – met haar overweging dat de taak van de executeur van rechtswege is geëindigd en de nalatenschap vereffend moet worden – een verrassingsbeslissing heeft gegeven en partijen niet hebben gedebatteerd over die vraag, faalt dat standpunt.

Verzoekster had tegen die beschikking immers hoger beroep kunnen instellen.

Zij had daarbij ook voldoende belang.

Weliswaar strekte het dictum tot afwijzing van de verzoeken van verweerders.

In zoverre kreeg verzoekster in die procedure wat zij wilde.

Die afwijzende beslissing steunde echter op een beoordeling van de kantonrechter van de rechtsverhouding tussen partijen.

Die dragende overwegingen kregen ook gezag van gewijsde.

De omstandigheid dat die overwegingen voor verzoekster ongewenst waren en tevens dragend voor het dictum maken dat verzoekster, anders dan zij heeft gesteld, daartegen hoger beroep had kunnen en kennelijk ook behoren in te stellen.

Door dat na te laten heeft die vaststelling van de rechtsverhouding door de kantonrechter een voor verzoekster onaantastbaar karakter gekregen dat ook in het thans voorliggende geschil tot uitgangspunt strekt.

Een ander oordeel zou onvoldoende verenigbaar zijn met de rechtszekerheid.

Gelet hierop was het uitgangspunt bij aanvang van deze procedure dat zowel verweerders als verzoekster vereffenaars waren van de nalatenschap.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.