Van onze advocaat kindsdeel. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 22 augustus 2017 uitspraak gedaan over de zekerheidsstelling van het erfdeel, ook wel het kindsdeel genoemd.
Bij dagvaarding van 3 november 2016 hebben geïntimeerden het onderhavige kort geding tegen appellante aanhangig gemaakt. Hierin vorderen zij appellante te gelasten om zekerheid te stellen aangaande de erfdelen van geïntimeerden ter grootte van € 34.888,- per erfdeel overeenkomstig het vonnis van 14 september 2016, op verbeurte van een dwangsom. Hiertoe stellen zij dat appellante nalaat aan dat vonnis te voldoen, zodat zij er belang bij hebben dat daaraan een dwangsom wordt verbonden.
De advocaat van appellante heeft deze vordering bestreden. Volgens haar ontbreekt hiervoor een voldoende spoedeisend belang en is zij niet in staat aan de veroordeling tot het stellen van zekerheid te voldoen omdat zij niet over de middelen daarvoor beschikt.
Geïntimeerden hebben dat betwist. Zij voeren hierbij aan dat appellante zich na het overlijden van hun vader uit de nalatenschappen van moeder en vader een bedrag van € 85.000,- heeft toegeëigend door de hypotheek met dat bedrag te verhogen tot € 100.000,-. De overwaarde van de woning die voor € 175.000,- te koop staat, is volgens hen onvoldoende om daaruit de kindsdelen uit te keren. Zij willen met hun vordering voorkomen dat er uiteindelijk onvoldoende vermogen zal zijn om de erfdelen uit te keren.
De voorzieningenrechter heeft de vordering van geïntimeerden toegewezen met dien verstande dat appellante een termijn van 30 dagen is vergund om aan de veroordeling te voldoen en dat de dwangsom is gesteld op een bedrag van € 250,- per dag met een maximum van € 15.000,-. Appellante is veroordeeld in de proceskosten.
Spoedeisend belang bij zekerheidstelling kindsdeel?
In het vonnis waarvan beroep heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat geïntimeerden het spoedeisend belang bij de gevorderde voorziening voldoende hebben onderbouwd. Hierop heeft de eerste grief van appellante betrekking. Volgens haar hebben geïntimeerden ten onrechte de indruk gewekt dat zij haar aansporen om tot afwikkeling van de nalatenschap over te gaan. De woningmarkt geeft volgens haar een positieve tendens te zien terwijl geïntimeerden geen actie ondernemen om tot verkoop van de woning te geraken. geïntimeerden hebben een en ander gemotiveerd betwist.
Deze grief wordt verworpen. Naar het oordeel van het hof hebben geïntimeerden in eerste aanleg het spoedeisend belang bij de gevorderde voorziening voldoende onderbouwd en is dat ook nu het geval aangezien appellante, anders dan de rechtbank veronderstelde, niet vrijwillig aan het vonnis van 14 september 2016 heeft voldaan en dat naar het zich laat aanzien ook niet zal doen. De verplichting voor appellante om zekerheid te stellen bestaat al geruime tijd en is niet afhankelijk van het al dan niet voortvarend optreden van geïntimeerden bij de afwikkeling van de nalatenschap.
In het vonnis van 14 september 2016 in de bodemprocedure heeft de rechtbank onder meer overwogen dat uit de niet betwiste inhoud van de overgelegde correspondentie blijkt dat partijen in 2012/2013 vergaande onderhandelingen hebben gevoerd over het stellen van zekerheid door appellante en dat zij toen in staat was zekerheid te stellen. In het licht hiervan lag het, aldus de rechtbank, op de weg van appellante feiten of omstandigheden te stellen en te onderbouwen waaruit blijkt dat sindsdien haar financiële situatie is gewijzigd en dat zij thans niet meer in staat is tot zekerheidstelling over te gaan. Dat heeft zij echter nagelaten.
Zekerheidstelling van het kindsdeel
Kern van het verweer van de advocaat van appellante tegen de thans gevorderde voorziening is dat zij financieel niet in staat is zekerheid te stellen. In de bodemprocedure is inmiddels onherroepelijk vastgesteld dat appellante gehouden is tot zekerheidstelling. Die vaststelling is immers opgenomen in een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan.
Het verweer van appellante tegen de vordering van geïntimeerden in het onderhavige kort geding kan niet dienen als een verkapt hoger beroep tegen dat vonnis. De argumenten die appellante thans naar voren brengt en de producties die zij ter onderbouwing daarvan overlegt hebben deels de strekking dat zij niet gehouden is om de zekerheid te stellen. Die argumenten en producties hadden een plaats kunnen krijgen in de bodemprocedure, eventueel in een hoger beroep tegen het vonnis van 14 september 2016, maar niet in een vervolgprocedure over het alsnog opleggen van een dwangsom. Daarbij komt dat de voorzieningenrechter zijn beslissing dient af te stemmen op hetgeen in de bodemprocedure is beslist.
De vraag die thans wel voorligt is of de veroordeling van appellante om zekerheid te stellen kan worden versterkt met een dwangsom nu zij niet vrijwillig aan de veroordeling voldoet. De beoordeling daarvan geschiedt ex nunc. Het komt derhalve aan, gelet op het verweer van appellante, op het antwoord op de vraag of appellante nu al dan niet in de onmogelijkheid verkeert zekerheid te stellen. Oplegging van een dwangsom is immers niet toelaatbaar als appellante in de onmogelijkheid verkeert om aan de veroordeling te voldoen en overigens ook niet mogelijk voor zover geïntimeerden daarmee betaling ten titel van zekerheid aan hen zelf willen afdwingen, zulks gelet op artikel 611a lid 1, slotzin Rv.
Geïntimeerden hebben zich niet uitgelaten over de wijze waarop zij de zekerheid gesteld willen zien. Appellante kan evenwel ook langs andere wegen dan betaling aan geïntimeerden zekerheid stellen, bijvoorbeeld door het verstrekken van een bankgarantie (eventueel met de overwaarde van de woning als onderpand), dan wel het stellen van hypotheek ten gunste van geïntimeerden Tussen partijen, zo begrijpt het hof hen, is niet in geschil dat appellante geen medewerking krijgt van de bank voor deze wijze van zekerheidstellingen. Bovendien vergt een veroordeling om op deze wijze zekerheid te stellen een nader onderzoek, waarvoor in kort geding geen plaats is.
Zekerheid kan ook worden gesteld door storting van geld op een bankrekening waar het dan blijft staan. Geïntimeerden beroepen zich ter onderbouwing van hun stelling dat appellante in staat is om zekerheid te stellen op de verhoging van de hypotheek op de woning gevolgd door opnames in 2011 en 2012 tot het beloop van € 81.000,- . Dat geld zou appellante mogelijk nog deels onder zich hebben. Appellante voert daartegen aan dat zij deze bedragen in het verleden heeft aangewend voor haar levensonderhoud, omdat haar inkomsten te gering zijn. Haar inkomsten begroot zij op minder dan € 14.000,- per jaar. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt van een nabestaandenpensioen van minder dan € 600,- netto per maand.
Het hof overweegt als volgt. Nu de onderhavige procedure een kort geding betreft is voor een verder onderzoek naar de financiële positie van appellante geen plaats. Het hof acht voorshands niet onaannemelijk dat een deel van de opnames is aangewend voor levensonderhoud en niet meer beschikbaar is voor zekerheidstelling. Geïntimeerden opperen slechts dat appellante nog over een deel van dit geld beschikt, maar zij onderbouwen die stelling niet en geven ook niet aan waar dat geld zou zijn. Gelet op de betwisting door appellante kan derhalve niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat zij over geld beschikt om zekerheid te stellen. In het kader van dit kort geding is dan geen plaats voor het opleggen van een dwangsom.
Wilt u de gehele uitspraak lezen? Klik dan hier.
Heeft u vragen over het kindsdeel in een erfenis of over de zekerheidstelling van het wettelijk erfdeel, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het kindsdeel in een erfenis, bezoek dan onze pagina over het kindsdeel. Klik dan hier.